| TEXT_EXPL_XML |
<p>1. De Gier-valk, ende sijn Gewisse.<lb/> De Gier-valk, ende sijn Gewisse.<lb/> DE Gier-valk sijn leven ooverdenkende, ende<lb/> weetende dat hy bequaam was om seer hoog<lb/> ende snel, als een Geest, ten Heemele te vliegen,<lb/> en dat hy des niet te min liever hadde gewild,<lb/> als een snood Beeft langs ende op der Aarden<lb/> sijne vleesselike lusten te volgen, met te dooden ende te ee-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac028"/> ten alle andere mindere onnoosele Voogelen; Soo quam<lb/> hem onder anderen te binnen, dat hy Duiven ende Lee-<lb/> weriken, die niemand beschadigden. hadde gedood: Ja dat<lb/> hy eenmaal den kleinen soet singenden Nagtegaal gevan-<lb/> gen hebbende, wanneer die seide, jongen te hebben, die,<lb/> sonder hare voorsorge, ook sterven souden moeten; derhal-<lb/> ven seer ernstig voor haar eigen, ende harer Jongen leeven<lb/> bad, ende daar by vougde, dat sy, wegens hare kleente, hem<lb/> seer weinig voedsels soude strekken: ende gedagt deese Gier-<lb/> valk met eenen, dat hy daarom haar ook het leeven hadde<lb/> beloofd, onder voorwaarde, dat sy voor hem in het byson-<lb/> der een ooversoet deunken moeste singen; Soo quam seg-<lb/> gen wy, den Gier-valk te vooren, dat die onnoosele dat wel<lb/> gedaan had, ende dat hy desnietemin onder voorgeeven,<lb/> dat het deunken niet soet genoug gesongen was, maar wa-<lb/> relik alleen om soo een gering lekker beetjen te genieten,<lb/> haar verslonden had.<lb/> Sulks hy sig besoedeld siende met soo veeler onnooseler<lb/> Dieren bloed, welk hy moorddaadig vergooten had, voor<lb/> nam sig te beeteren, ende tot dien einde een stil ende af-<lb/> gesonderd leeven te leiden, om boete van sijner voorgaan-<lb/> de boosheid te doen. Maar sig daar oover van sijne Makkers<lb/> bespot siende, ende vermerkende, dat hy de onnoosele Vo-<lb/> gelen, om dat sy hem nog soo niet betrouwden, tot geene<lb/> niewe Makkers konde verkrijgen, soo viel hem deese nie-<lb/> we wijse van leven al te moejelik. ende begaf hy sig weder-<lb/> om tot sijn oud leven, bestaande in rooyen ende bloedver-<lb/> gieten, tot dat hy eindelik soo seer beesig zijnde met eenen<lb/> onnooselen Vogel te verslinden, dat hy den aankomenden<lb/> Vogelaar niet vermerkencle, daar van gevangen wierd, ende<lb/> ellendiglik storf, als een oovertuigde van verscheide eu-<lb/> veldaaden, die naar de Regulen der Regtvaardigheid hier<lb/> <pb n="embstma_add132_fac029"/> naa niet meer barmhertigheid te hoopen ende te verwag-<lb/> ten had, als hy aan anderen had beweesen.<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> GIER-VALKEN, zijn Menschen van seer groot Ver-<lb/> stand ende Magt, die sig gewennen, van Roven en de<lb/> Moorden der Eenvoudigen ende der Swakken te leven.<lb/> DUIVEN, LEEWERIKEN, NAGTEGALEN, zijn<lb/> Menschen van gering verstand, die haar leeven naar de<lb/> mate haarer kennisse ten voordeele van haar selven als ook<lb/> van andere Menschen aanstellen, ende die by gevolge haar<lb/> leevens-middelen souken, sonder andere Menschen te be-<lb/> schadigen.<lb/> DE Oude Wijsen leeren ons, dat onder Godes oneindelik veele <lb/> schepselen, insonderheid dit onderscheid van Weesen moet aan-<lb/> gemerkt werden; ten Eersten, dat eenige zijn Geesten, wiens wee-<lb/> sen bestaat in vernustig ende Reedenkaavelende, als ook onsterve-<lb/> lik te zijn, welke derhalven vry zijnde van alle lighamelike bewee-<lb/> gingen nog eeten, nog drinken, nog voortteelen. Ten Tweeden, dat<lb/> eenigen zijn domme Beesten, welke niet dan oneindig konstiglik by<lb/> een gevougde lighaamen zijnde, alle lighaamelijke beweegingen,<lb/> veranderingen, ende eindelik der dood onderworpen zijn, ende der-<lb/> halven onderwijlen met eeten, drinken ende voortteelen, sig sel-<lb/> ven voeden ende onderhouden moeten. Ten Derden, dat eenige<lb/> zijn Menschen bestaande uit Geest en Beest, door Goodes oneinde-<lb/> lijke magt ende wonderlijke goedheid, soo wijselik by een ge-<lb/> vougd, dat sy als Geesten haaren Schepper kennen, gehoorsaamen,<lb/> ende eeren konnen, ende daar en tegen ook, als Beesten, alle ver-<lb/> anderingen ende der selven sterffelikheid onderworpen zijnde,<lb/> middeler wijle door eeten, drinken, slaapen, kleederen, wonin-<lb/> gen, voorteelinge, &c. sig selven onderhouden mogen ende moe-<lb/> ten. Het welk, indien beiden geschied, soodanig dat deese men-<lb/> schelike Geesten ofte Sielen in menschelijke lighaamen woonenden,<lb/> <pb n="embstma_add132_fac030"/> ende gesaamentlik eenen Mensch uitmakende, gedurende die ver-<lb/> eeniginge des Lighaams met den Geeste, Godes wijsheid ende goed-<lb/> heid ooverdenkende, sig des weegen verheugen, ende mitsdien<lb/> ook sig hier beginnen gelukkig te maken, ende daar in volharden,<lb/> tot dat sy eindelik van haar stervelik lighaam ende van alle onge-<lb/> makken ende sorgen, daar uit ontstaande, ontslagen werden; sy<lb/> ook als dan in der eeuwigheid Godes wonderlijke Wijsheid, Goed-<lb/> heid, ende Magt, met volkoomen Genougen ende Vreugde oo-<lb/> verdenken sullen.<lb/> Ende weeten wy daar en teegen, dat Menschen, die in dit leven<lb/> haaren Geest ofte Siete hebben laaten aftrekken van die goede Gee-<lb/> stelijke Bedenkingen, om in tegendeel sig in het geheel oover<lb/> te geeven aan alle lighamelike Wellusten, voor eerst eenen seer<lb/> drouvigen strijd tussen den Geest ende het Lighaam verwekt hebben-<lb/> de, eindelijk soo veele ongelukkiger als Beesten sterven, dat by haar,<lb/> ende niet by den Beesten, ooverblijft eene geheugenisse van alle<lb/> het quaad dat sy in haar leeven hebben gedaan, ende van alle het<lb/> genougen dat sy ontbeeren moeten, om dat sy het haast vergan-<lb/> gelijke; naamelik de Beestelike ofte Vleeschelike wellusten, voor de<lb/> Geestelike ende eewig-duurende hebben gekooren. Het wel in<lb/> haar eene onuitspreekelike drousheid moet veroorsaaken, ende dat<lb/> des te meer, om dat die drouve geheugenis allermeest verwekt<lb/> werd, als de saaken deeser weereld haar teegen loopen. Ende<lb/> hoe groot die eewigduurende Drousheid ende Smerte, daar uit ont-<lb/> staande, ook weesen sal, wanneer deese Geest van den lighame ge-<lb/> scheiden werd, is door ons stervelike Menschen niet meer te be-<lb/> grijpen, dan de Grootheid der Vreugden die God Almagtig voor<lb/> den Gelukkigen bereid heeft.<lb/> Dit alles in het gemeen gesegt weesende, soo kan een yder lig-<lb/> telik begrijpen, hoe veel beeter het waare onsen Geest einde onse<lb/> goede Reedenkaavelinge in te volgen, als tegen de selven sig aan die<lb/> verkeerde ende haast vergankelijke groot-ofte hoogheid des lee-<lb/> vens, ende Wellusten des Vlees oover te geven, en dien volgende<lb/> meest alle den tijd onses leevens te besteeden, om oover andere<lb/> Menschen te Heerssen, ofte de lusten onses lighaams te bejaagen<lb/> met eeten, drinken, byslaapen, ende andere overdaad in klee-<lb/> deren, huishoudinge ende wooninge, &c. alsoo het selven niet on-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac031"/> dernoomen ende alsoo weinig uitgevoerd kan werden; dan met<lb/> in den beginne onsen Geest te bedrouven, ende daar na SIel ende<lb/> Lighaam eewlik verlooren te doen gan.<lb/> Maar oovermits deese onse FABUL alleen gewag maakt van<lb/> Menschen, die door hare vleugelen, dat is, door haren Geest ofte<lb/> Siele, tot God ten Heemele hadden konnen stijgen, ende nogtans lie-<lb/> ver gewild hebben, haare wellusten te volgen, om een Beestagtig<lb/> vermaak te genieten, ende veeltijds ter gewaande vermeerderin-<lb/> ge van dien, andere Menschen te berooven ende der onnooselen<lb/> bloed te vergieten: soo sullen wy, om, soo veel in ons is, ande-<lb/> re Menschen daar van afkeerig te maken onse gedagten ook nu<lb/> meest aan de selven toepassen, als zijnde waarelik de allerboosste<lb/> ende Beestagtigste Menschen, die op der weereld gevonden kon-<lb/> nen werden; Naamentlik, oovermits de Geest ons leerd, dat het<lb/> de pligt aller Menschen is, aan anderen nietwes te doen dan het gunt sy<lb/> willen dat een ander haar doe; ende dat daar teegen allermeest strijd,<lb/> soo eene wijse van leven, die niet bestaan kan dan een andere on-<lb/> noosele Menschen geduurig te doen het allergrootste quaad dat<lb/> gedaan kan werden, naamentlik haar te berooven van haare goe-<lb/> deren, eere, ofte leeven, met haar te schoffieren ofte te dooden; soo<lb/> kan ook het selven niet geschieden, sonder aan soodanigen Men-<lb/> schen een strijd in haar gemoed te verschaffen, ende haren Geest<lb/> sulks te bedrouven, dat sy, om sig van die drouvige invallen te<lb/> ontlasten, biswijlen voorneemen eene andere beetere wijse van<lb/> leeven te verkiesen; hoewel, om sulks werkstellig te maken, haar<lb/> door de verkiesen; hoewel, om sulks werkstellig te maken, haar<lb/> door de voorgaande lange quaade gewoonte, geene dan seer be-<lb/> swaarelijke weegen ofte middelen voorkoomen. Naamentlik, de<lb/> eerste swaarigheid is, dat sy sig van alle oude bekende Vrienden,<lb/> indien onder soodaanige boose Menschen eenige Vriendschap kan<lb/> zijn, af scheiden, ende mitsdien voor eerst als Kluisenaars op haar<lb/> eigen selfs als Engelen te leeven, suiverlik naar den Geest genood-<lb/> saakt werden: om dat geene deugdsaame Menschen met haar de-<lb/> ven verkeeren. Ende alsoo wy Menschen zijn, ende dien volgen-<lb/> de de swakheeden onses lighaams geduuriglik met ons draagen,<lb/> soo krijgen die Kluifenaars in soodanige wijse van leeven seer haast<lb/> soo groot verdriet, dat sy in korten tijde tot haare voorgaande wijse<lb/> van leeven keeren. Ende wanneer sy den tweeden weg ingaan,<lb/> <pb n="embstma_add132_fac032"/> namentlik, onder ende met haare oude Vrienden te verkeeren, ofte<lb/> niewe deugdsaamer te souken, soo werden sy van de oude bespot,<lb/> ende van de niewe niet vertrowd. Sulks sy door soodanig verdriet<lb/> meest alle, gelijk vuile Honden, tot haar voorgaande uitspousel kee-<lb/> ren, ende als ellendige Slaaven der sonden geworden zijnde, al-<lb/> daar haar verderf seekerlik des te swaarder vinden.<lb/> De waarheid van dien sien wy dageliks aan die Menschen, wel-<lb/> ke sig allangs tot andere Menschen te besteelen, te berooven ofte by<lb/> geleegenheid te dooden, oovergeeven. Namelik, dat veele van<lb/> dien de eerste maalc daar oover in beslootene hestenisse geraakt,<lb/> ende naar eenige straffen geleeden te hebben los gelaten zijnde,<lb/> wel seer ernstig voorneemen, sig voortaan van soo een ondeugend<lb/> bekommer-ende gevaarelik leven te onthouden: maar dat s nog-<lb/> tans gemeenelik alle tot hare voorgaande wijse van leeven keeren,<lb/> ende seer ellendiglik aan der Galge haar leeven eindigen. Dit sien<lb/> wy ook aan veele Krijgsluiden, welke niet om haar Vaderland in oor-<lb/> loogen gevallen zijnde, loffelijk te beschermen, maar den Krijg als<lb/> een Ambagt, om daar van te leeven, volgen, ende mitsdien ook<lb/> in aangrijpende oorloogen, of door gebrek van Soldie, ofte door<lb/> eigene boosaardigheid, veele onnoosele Menschen, Mans, Vrou-<lb/> wen ende Kinderen beroofd, geschonden ende gedood hebbende,<lb/> somtijds van die gepleegde saaken soodanig in haar gemoed oover-<lb/> tuigd werden, dat sy voorneemen eene andere wijse van Teeven aan<lb/> te vangen: maar bevinden wy ook, dat sy daar omtrend door hare <lb/> oude gewoonte, ende vermits sy geene andere wijse van leven voor<lb/> afgeleerd hebben, soo verdrietig werden, dat sy in die oude wijse <lb/> van leeven blijven, ende aldaar haar leeven eindigen.<lb/> Het is derhalven de regte sin deeser FABULE, dat de Men-<lb/> schen in het geemen bequaamheid hebben, om sig tot geestelijke<lb/> gedagten te begeeven, ende onderwijlen ook een deugdsaam le-<lb/> ven in den geselschappe van andere Menschen te leiden: maar dat<lb/> de Heerssugt, ende Wellusten des Vlees, veelen van dien soodanig<lb/> vervoeren, ende de gewoonten van dien ook soo kragtig zijn, dat<lb/> sy, niet teegenstaande een lat berow, daar van niet konnende<lb/> scheiden, haar leven seer ellendig plagten te eindigen.<lb/> </p> |
| SEQ |
3 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic027.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem002 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
Hunters observing a gyrfalcon killing another bird |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Doe eenen andere 't geen gij wilt dat u geschiede |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac027 |
| MOTTO_LA |
Se judice nemo nocens absolvitur |
| TYPE |
emblem pictura |
| IC |
25F33(GYRFALCON)(+514) 43C1113(+412) 57AA741 59C21 85(GYRFALCON AND CONSCIENCE) 86(DOE EENEN ANDERE 'T GEEN GIJ WILT DAT U GESCHIEDE) 86(SE IUDICE NEMO NOCENS ABSOLVITUR) |
| MOTTO_NL |
<p>Doe eenen andere 't gunt gy wild<lb/> dat u geschiede.</p> <p>Se judice nemo nocens absolvitur.</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem001 |
| MOTTO_LA_NORM |
Se iudice nemo nocens absolvitur |