$ TEXT_EXPL_XML

7. De Leew, ende andere onnoosele Dieren, met den Vosse. De Leew, oud ende traag geworden zijnde, ende door de ordinaris Jagt geene spijse voor sig selfs ende sijne Vrienden, immers geene genougsaame konnende bekoo- men, alsoo sy in seer grooten getaale ende daar en boo- ven alles gulsiglik verslindende ende verteerende Dieren waaren, soo leide hy die saak oover met opgemelde ver- slindende ende altijds hongerige Dieren. Ende vonden sy eenstemmig goed, dat de Leew alle Dieren die hy genee- gen was te slagten, als vol van Vlees ende Vet genoug zijnde, om haar te konnen versaasen, ten Hoove ont- bieden, ende haar eene doodwaardige Lak op leggen. soude, om onder schijn van Regt haar te mogen dooden. Derhalven soo ontbood hy nu dit dan dat onnosel Dier by sig; ende die onnoosele gekoomen zijnde, vraagde hy dat Dier, of sijn Adem wel van goeden reuk was; het Dier dat daar op antwoorde, ende seide dat hy stonk, wierd ter- stond als een vyand ofte lasteraar des Leews gedood; of die ter contrarie seide, dat de Adem des Leews lieflijk rook, wierd als een bespotter, vleijer, ende leugenagtig Bedrieger, omgebragt; sulks by naa niemand dien dans konde ont- springen dan de Vos, seggende dat hy seer verkoud was, ende daarom gants niet konde ruiken, ofte eenige ken- nisse van den Adem des Leews krijgen: gelijk meede eenige andere gras-eetende Dieren, die nooit ten Hoove met den Leewe ofte eenige andere verslindende Dieren, eenige de minste ommegang hadden gehad, ende daar door voor den Leewe ende die verslindende Dieren, geheel onbekend waaren gebleeven, door dat middel haar leeven behielden.

;

Uitlegging der Woorden. Met den Ouden LEEWE verstaan wy een Koning ofte Vorst, wien om sijne swakheid ongeraaden is, sijnen Nabuur te beoorloogen. Met de JAGT, aangrijpenden oorlog. Met de VRIENDEN des Leews, der Koningen Hoo- velingen. Met onnoosele DIEREN, Menschen die van haar ei-- gen Inkoomen leeven, ende weegens haare Deugden ende Rijkdommen in de oogen der Kooningen ende Hoo- velingen koomen, ende gedood werden. Met den Vosse, een voorsigtig Mensch, die met Ko- ningen ende Hoovelingen niet wil te schaffen hebben. Op welke Stellingen aldus gereedenkaaveld werd. Wanneer Koningen ofte Vorsten ten opsigte hunner naabuurige Koningen ofte Staaten soo swak zijn, dat sy teegen deselven geenen oorlog onderneemen konnen, dan met een baarblijkelik gevaar, van selfs, als ook haare Hoovelingen, ooverwonnen ende verstrooid te sullen werden, soo onthouden sy sig gemeenelik van dat middel, waardoor ende waar in de magtiger Koningen ende Hovelingen hare subsisten- tie, vermeerderinge ende toem plagten te souken. Namelik te vein- sen, dat eenig swakker Nabuur haar gehoond ende soodanige reeden van tootne gegeven heeft, dat daar van door een oorlog boet ende straffe genoomen moet werden, op dat sy onder soo een voorgee- ven, door het geweld van gehuurde ende besoldigde krijgs-kneg- ten, ende voorneementlik Vreemdelingen, niet alleen haare Vyanden met toejuiginge aller onnoosele ende ongegoede Ingeseetenen, souden moogen ooverwinnen, ende haare Landen ende Steeden inneemen, maar dat sy insonderheid haare eigen Onderdaanen door Schattingen ende Impositien ofte Inquartieringen van Krijgsknegten, souden konnen met eenen schoonen schijn plukken ende plonderen. Sulks andere swakkere Koningen ende Vorsten, gelijk als hier de oude Leew ons voorgedraagen werd, in Vreede moetende leeven, ende neevens de Hoovelingen, haare pragt ende ooverdaad met haar- re eigene Inkomsten niet konnende voeden, vermerken, dat mid- deler wijle de weetenschappen ende rijkdommen haarer Onder- daanen, door de saalige Vreede soo toegenomen zijn, dat sy ver- moed konnen werden, den grooten Ooverdaad, ende het geweld hunner Kooningen ende Hoovelingen, niet als voor deesen, wan- neer sy mindere magt, kennisse, ende weinige goederen hadden, te sullen willen draagen. Derhalven deese swakkere Kooningen alsdan veelsijds door haa- re Hoovelingen, ende boose Bevelhebberen der Krijgsluiden, veeltijds geraaden werden, haare weegens kennisse onfte deugd, ende inson- derheid weegens rijkdommen aansienelijke Magistraaten, Raads-Heeren, ende Onderdaanen, in het bysonder aan te tasten, met nu deese, dan weederom die, te doen beschuldigen aan oproer ofte land-ver- raad schuldig te zijn, Ende indien die beschuldigden alsdan oo- vertuigd konnen werden, dat sy de gebreeken des Koonings ofte sijner Hoovelingen gemerkt, ende daar van het misnougen gesproo- ken hebben, als die veragtende; ofte indien sy, maenende door groote vlejeryen haare rijkdommem des te veiliger te sullen besit- ten, oovertuigd werden die Koninglijke gebreeken, als of het groo- te deugden waaren, seer gepreesen te hebben, soo weeten des niet te min die beschuldigers aan ende uit de aller-onschuldigste woorden ende werken, seer quaade intentien te digten, ende nog argere consequentien te trekken, verseekerende dat die door haar ver- sierde seer quaade Intentien gesprooken ofte gedaan zijn. Name- lik oproeriger, schimpender, ende spottender wijse, soo dat deese aansienelijke, deugdsaame ofte rijke mannen, hoe onschuldig de selven ook souden moogen weesen, ten Regte gesteld, beschul- digd, ende geoordeeld werdende, van geene andere Menschen, dan die om den Koninge ofte sijne Hoovelingen te behaagen, ge- neegen zijn, derselven wille ofte gebooden altijds in te volgen ende uit te voeren, *ende dat sy Beschuldigden dien volgens niet konnen ontgaan schuldig verklaard te werden, aan de allergrootste misdaad van Gequetster Majesteit in den hoogsten graade, op dat sy al- soo ten behoeve des Konings ende sijner Hoovelingen, opgeofferd werdende, lijf ende goed verbeuren, ende de aller ondeugenste menschen, sig daar meede voeden ende vervroolijken souden mogen. Ende derhalven so konnen onder soodaanige Regeeringe geene schrandere ende eenigsins gegoede, als ook insonderheid geene in eedelmoedige Deugden uitsteekende menschen, de strikken dee- ser Koningen ende Hoovelingen ontgaan, dan met sig mal te veinsen, ofte met onderwijle die Koningen ende haare Hooven te vlieden, ende met de Hoovelingen geene kennisse ter weereld te willen maaken. Gelijk de Vos ons nu hier gants geene sijner wonderlijke konsten, maar alleen deese voorsigtigheid vertoond, dat hy sig mal, dat is verkoud te zijn, ende niet te konnen rieken veinsd, ende alleen de laagen des Leeuwen ontkomt, ende geene andere Dieren die laagen ontgaan, dan de arme gras-eetende, die ten Hoove gants niet bekend zijn, ende met die bloed-dorstigen gants geene gemeenschap heb- ben willen. Het welk wy meenen te zijn alle het gunt deese onse FABUL ons leerd.

SEQ 9 PARENT embstma_add132 HIM FABLES ; GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK URL_IMAGE embstma_add132_pic059.jpg TIPE emblempictura NEXT embstma_add132_emblem008 IIHIM FABLES ; GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK CAPTION_EN A boar smelling an old lion's breath: innocent animals (rich subjects) are sentenced to death on false charges SOURCE_FILE embstma_add132.xml MOTTO_NL_NORM De onnozele betaalt altijd het gelag LINK_FACSIMILE embstma_add132_fac059 MOTTO_LA

Procul a Jove procul a fulmine.

TYPE emblem pictura IC 25F23(LION)(+24):31A22221(+0) ; 25F24(BOAR):31A33 ; 25H114 ; 44B62 ; 44G(+6) ; 46A16 ; 47I2133(+963) ; 85(THE INNOCENT ANIMALS SMELLING THE LION'S BREATH) ; 86(DE ONNOZELE BETAALT ALTIJD HET GELAG) ; 86(PROCUL A IOVE PROCUL A FULMINE) PREV embstma_add132_emblem006 MOTTO_NL

De onnoosele betaald altijds het gelag.

ID embstma_add132_emblem007 MOTTO_LA_NORM Procul a Iove procul a fulmine CHILDREN CHILDREN_SQRT 0