| TEXT_EXPL_XML |
<p>11. De Eezel, Hond, ende de Meester.<lb/> EEn Eezel, siende dat een klein Hondjen, sonder eenigen<lb/> anderen dienst ofte arbeid te doen, dat met quispel-<lb/> steerten ende met springen teegen des Meesters lijve, des<lb/> niet te min van den selven Meestere sagt wierd toegespro-<lb/> ken, ende met sijner hand gestreeld; Ende dat het Hond-<lb/> jen daarenbooven veele lekkere spijse van der tafele sijnes<lb/> Heeren krijgende, sig daar meede versaaden konde, terwijle<lb/> hy Eezel seer swaren arbeid doen, geringe kost eeten, ende<lb/> veele stok-slagen lijden moest. Derhalven soo wilde die Ee-<lb/> zel deselve moode des Honds naarvolgen, op hoope, dat hy<lb/> insgelijks voortaan in leedigheid lekkerlik gevoed soude<lb/> werden, ende sprong hy ten dien einde insgelijks al quispel-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac078"/> staartende den Meestere ter eerster aankomste op den lij-<lb/> ve. Maar die Meester dees boetsen ende git gelaat des<lb/> Eezelf ongewoon zijnde, ende des selfs swaarte ende<lb/> sterkte gevoelende, maar die goede gedagten des Eezels<lb/> niet weetende, vreesde dat hy hem wilde dooden, riep<lb/> derhalven sijne Dienaars, dat sy hem uit doods nooden<lb/> quaamen redden, sulks deesen, den door leedigheid al te<lb/> weeldig geworden Eezel, met felle stokslaagen afgekeerd<lb/> hebbende, om hem die weelde te verleeren, met swaardere<lb/> Sakken als voor heen beloeden, ende naar der Kooren-<lb/> moolen sonden. In vogen hy voortaan van de Honden<lb/> oover sijne plompheid bespot, ende van de andere Eezelen<lb/> oover sijne laatdunkenheid uitgelaggen werdende, met<lb/> grooter schande, in arremoede ende spijt sijn leeven quam<lb/> te eindigen.<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> De Ouden hebben verstaan met den EEZELE, een<lb/> uit der aard ernstig arbeidsaam Mensch.<lb/> Met den HOND, een Mensch, die bequaam is om met<lb/> schoon praaten, vleyen ende pluimstrijken, aan de kost te<lb/> geraaken<lb/> Met den MEESTER, een Mensch, die meerder is als<lb/> de geene met welken hy omme-gaat. Ende in het byson-<lb/> der een Koning ofte Vorst.<lb/> Alle Dieren hebben haare bysondere bewuaamheeden, waardoor<lb/> sy ook bysonderlik haar leeven, ende voortteelinge ook<lb/> haar geheel geslagt behouden konnen, ende ook waarelik be-<lb/> houden, soo lange yder van dien naar sijnen ingebooren aart werkt.<lb/> Ende alsoo de Menschen van Goode almagtig booven die lighaame-<lb/> lijke bequaamheeden, ende bysonderen aart om haar leeven ende<lb/> <pb n="embstma_add132_fac079"/> het menschelik geslagt te behouden ende voort te setten, ook begaafd<lb/> zijn met een vernuft om te konnen oordeelen, waar toe sy bequaam<lb/> zijn ofte niet: ende dat sy door eene quaade keure hier omtrend<lb/> te doen, soo lange haar leeven duuren sal, schaade ende schande<lb/> behaalen sullen; soo zijn de selven ook verpligt, sig selven wel te<lb/> ondersouken, ende vervolgens te vermijden ofte aan te neemen<lb/> soodaanige wijse van leeven als met haaren aard meest strijd ofte<lb/> best oover een komt.<lb/> Ende insonderheid zijn deselve menschen verpligt, sig sorgvul-<lb/> diglik te wagten van te kiesen eene wijse van leeven die in het ge-<lb/> heel tegen haaren aangebooren aard ofte opvoedinge ende gewoon-<lb/> te strijdig is. Ende dat niet allen om dat de menschen naar haaren<lb/> eigenen aard werkende, het selven met veel meer innerlik genou-<lb/> gen, ende daarom veel beeter, als het gunt, in weederwille van<lb/> onse ingeboorene aard, ende dien volgende ook eenigsins door<lb/> dwang gedaan werd, uitwerken; maar ook om dat die kennelijke<lb/> uitspoorigheeden omtrend de verkiesinge onser nieuwe wijse van<lb/> leeven, gants geene gemeenschap met onse voorgaande hebbende,<lb/> aller menschen oogen naar sig trekken, ende doen aanmerken alle<lb/> de misslaagen, welke door die onbequaame Niewelingen in die wijse<lb/> van leeven begaan werden: ende dat daar en booven de gemeene<lb/> boosaardigheid der menschen soo groot is, dat die opmerkingen<lb/> geschieden niet om de goede wiele des onbequaamen, voor der<lb/> daad te doen aanneemen, nogte om den dwaalenden te onderrig-<lb/> ten, ofte op eenen beeteren weegte te brengen, maar om densel-<lb/> ven, indien het haar moogelik is, des te meer te doen struike-<lb/> len, ende daar naa des te meer te bespotten ende te beschaadi-<lb/> gen. Ende om buiten den eigentlijken sinne onser FABULE niet<lb/> te Reeden kaavelen, soo seggen wy kennelik te weesen, dat vee-<lb/> le bysondere menschen, ja geheele Volkeren, aangeboorene be-<lb/> quaamheeden hebben, om andere menschen met haare Woorden,<lb/> Gelaat ende Werken, vermaak, maar geen profijt te konnen aan-<lb/> brengen: ende dat in teegendeel ook veele bysondere menschen, ja<lb/> geheele Volkeren, gevonden werden, die anderen menschen veel of-<lb/> te meer goeds, ende buiten dat goed geene vreugd schijnen te kon-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac080"/> nen aanbrengen. Sulks indien deese uit der traage, ernstige<lb/> ende arbeidsaame menschen, de leevende, schertsende, ende<lb/> vroolijke naabootsten willen, sy daar van niet dan spot, schaade<lb/> ende schande behaalen sullen. Het welk meen allermest bevind<lb/> waarhaftig te weesen in de Hooven der Koningen ende Vorsten, alsoo het<lb/> gemoed der selven Heeren van Kindsbeen aan door de vrolijke ende<lb/> ydele Vleijers ende Boetsemaakers soodaanig werd ingenoomen,<lb/> dat sy niet alleen van alle ernstige nutte saaken, maar ook van alle<lb/> menschen, die haar de selven voordraagen, walgen. Sulks indien<lb/> een derselven ernstige menschen, teegen sijnen aart den Vrolijken<lb/> ende Vleijenden Hooveling wil speelen, hy daar oover bespot,<lb/> uitgelaggen, ende ten Hoove uit gedreeven werd.<lb/> Dus sien wy, dat de Françoisen in het gemeen bequaam zijn;<lb/> om geheele geselschappen, ende insonderheid jonge Vrowluiden, Ko-<lb/> ningen ofte Vorsten, te vermaaken, met beuselingen ofte met saaken<lb/> daar geene nuttigheid ter weereld inne steekt, ende waar door<lb/> sy des niet te min veeler vrowluiden, Koningen ende Vorsten<lb/> gemoederen ende Hooven in-neemen ende blijven besitten: Daar<lb/> in teegendeel de Duitsen in Geselschappen, ofte voor Vrowluiden<lb/> treffelike saaken ernstig ende seer wel voorgedraagen konnen; maar<lb/> den vrolijken Baas, ofte voor Koningen ende Vorsten den geestigen<lb/> Hooveling willende speelen, van eenen ydere om de gemaaktheid<lb/> van dien bespot, uitgelaggen, ende uit die Geselschappen ofte<lb/> ten Hoove uitgedreeven werden, om in steede van dien, ligt-<lb/> vaardige Francoise Ma Bonnes, Dames ende Hoovelingen, ten verder-<lb/> ve onser Land-aard, te gebruiken.<lb/> Dit meenen wy den eigentlijken sin deeser FABULE te wee-<lb/> sen. Naamentlik dat niemand beklijven kan, dan die naar sijnen<lb/> eigen ingebooren aart ofte opvoedinge ende lange gewoonte tragt<lb/> te leeven. Ende dat eener die eene wijse van leeven verkiest,<lb/> welke teegen sijnen aangebooren aart strijd, seekerlik schaade<lb/> ende schande behaalen sal.<lb/> </p> |
| SEQ |
13 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic077.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem012 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
A donkey is punished for imitating the behaviour of his master's little dog |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Het is niet om het even wie het doet |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac077 |
| MOTTO_LA |
<p>Tu nihil invita dices faciesve Minerva</p> |
| TYPE |
emblem pictura |
| IC |
31A235 31A2743 34A1 34B11(+9491) 41C3 46C13142(+7491) 46C13185(+0) 47D31 51B6 57AA76 85(THE DONKEY IMITATING THE DOG) 86(HET IS NIET OM HET EVEN WIE HET DOET) 86(VIVITUR EXIGUO MELIUS SI NOVERIS UTI) |
| PREV |
embstma_add132_emblem010 |
| MOTTO_NL |
<p>Het en is niet eeven eens wie het doed.</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem011 |
| MOTTO_LA_NORM |
Vivitur exiguo melius si noveris uti. |