| TEXT_EXPL_XML |
<p>13. Een jonge Vors, schielijk ongemeen grooter als andere<lb/> oude Vorssen geworden zijnde, ende sig selven by die<lb/> kleinen vergeleeken hebbende, met die eigen selfs liefde,<lb/> die allen Dieren gemeen is, begon daar uit te vermoe-<lb/> den, dat hy van eenen geheelen anderen aart als de ge-<lb/> meene Vorssen was, ende wierd allangs daar door soo<lb/> laatdunkende, dat hy eindelik sig inbeelde, met der<lb/> tijd soo groot als een Koe te konnen ende ook te sullen<lb/> werden, indien hy sijnen gestronsten huid met alle kraf-<lb/> ten van daage ten daage wel uitspande. Derhalven hy<lb/> <pb n="embstma_add132_fac088"/> sig kraftelik opgeblaasen hebbende, de kleine dog oude<lb/> Vorssen vroeg, of hy niet by naast soo groot als een Koe<lb/> was geworden, ende alsoo die kleine, door het blijven in<lb/> eenen gemeenen stande, antwoorden sy hem in aller<lb/> bedaardheid, ende raadden, ende vertoonden hem met<lb/> seer groote Wijsheid, dat het voor hem beeter ende<lb/> aansienelijker soude weesen, de grootste onder den Vorssen<lb/> te blijven, wanneer selfs sijn voor neemen hem mogte<lb/> allerkleinste onder de koejen te sullen weesen. Ende dat<lb/> hy in teegendeel nu met naar seekerlik moejelijke ende<lb/> voor hem ondoenelijke saaken te tragten, sig in pericul<lb/> soude stellen van sig te verderven; alsoo hy van die Koe<lb/> nog in grootheid soo veel verscheelde, dat hy met sij-<lb/> ne allergrootste opgeblaasendheid, soodaanige grootheid<lb/> niet bekoomen, maar wel sig selven ten bersten blaasen<lb/> soude konnen. De groote jonge Vors deesen raad ge-<lb/> hoord hebbende, meende dat de kleine ende oude Vorssen<lb/> hem deesen raad hadden gegeeven uit nijdigheid, ende<lb/> om sijne verdere grootheid te beletten, derhalven hy<lb/> met sig selven op te blaasen voortging, ende dat met soo<lb/> een grooten gewelde, dat hy ten laatsten sig waarelik<lb/> ten bersten blies.<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> De Ouden hebben verstaan met een Vors, een<lb/> Mensch die in eenen seer geringen ende neederigen<lb/> <pb n="embstma_add132_fac089"/> stande gebooren ende opgevoed is, Boeren, Bor-<lb/> gers, Etc.<lb/> Met een Koe, een Mensch die in een seer hoogen stand<lb/> gebooren ende opgevoed is.<lb/> Met de kleine VORSSEN, neederige Vrienden des<lb/> schielik opgewassenen.<lb/> Met de jonge groote VORS, een laag gebooren, en-<lb/> de van jongs op al te voorspoedig Mensch.<lb/> Om dat onse beboustigheid ende swakheid soo groot is, dat wy ons<lb/> nooit in eenigen stande bevinden, daar niet ietwes aan ont-<lb/> breekt, ende dat wy onses stands gebrekkelikheeden ende on-<lb/> gemakken seer wel voelen, ende die van andere standen niet soo<lb/> wel vermerken, soo meenen wy dat die andere Standen beeter<lb/> zijn, ende tragten wy geduurig naar veranderinge, sonder ooit<lb/> vergenougd te weesen. Ende oovermits dien volgende de beste<lb/> keure van veranderinge werd gedaan met de meeste kennisse, ende<lb/> dat wy de meeste kennisse der voor ende naa-deelen hebben van<lb/> die standen, welke met onsen stande eenige gemeenschap hebben,<lb/> ende aller naast zijn; Soo bestaat in deesen de meeste mensche-<lb/> lijke voorsigtigheid, dat wy naar geenen anderen stand tragten,<lb/> dan met seer kleine treeden te doen, naar die den onsen naast<lb/> is, die wy best kennen, ende die ons best behaagd. Want oo-<lb/> vermits daar en booven de meeste vreugd der menschen hier in be-<lb/> staat, dat sy geduurig naar meerdere hoogheid tragtende, in<lb/> haar hoope niet bedroogen werden; maar geduurig haar oog-<lb/> wit bekoomen: Soo is daar toe geen seekerder middel dan met<lb/> seer kleine treeden, naar die hoogheid te stijgen. Eeven gelijk<lb/> wy daagelijks sien, dat men op eener laddere met enkele spor-<lb/> ten ligtelik ten toppe klimmen kan.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac090"/> Ende wy ook in teegendeel daageliks ondervinden, dat die<lb/> menschen, welke booven haars gelijken door groote voorspoe-<lb/> den geklommen zijn, eene groote dwaasheid begaan, wanneer<lb/> sy alsdan, volgens den raad van haare wijse ende goede vrien-<lb/> den, niet stille staan, om sig ende haaren Stand ter deegen te<lb/> erkennen, ende nietwes verders ofte hoogers te begeeren, dan<lb/> het gunt haar van selfs schijnt in der hand te vallen; alsoo op-<lb/> gemelde raad gebowd is op deese volgende vaste gronden:<lb/> Naamentlik, om ten deele aldus de nijd van haars gelijken te<lb/> vermijden ofte te betemmen, ende ten deele op dat niet die al te<lb/> gelukkige menschen, nieuwe sprongen willende doen, ende die<lb/> qualik gelukkende, sy alsdan niet alleen alle de vreugd oover de<lb/> eerste voorspoeden koomen te verliesen, maar ook daar en boo-<lb/> ven sig sulks koomen te bedrouven, dat sy daar van ter needer<lb/> geslaagen werdende, van spijt quijnen ende sterven. Ende hoe-<lb/> wel deese drouvige voorvallen soo meenigvuldig zijn, dat yder<lb/> mensch van de nuttigheid des opgemelden raads behoorde oo-<lb/> vertuigd te weesen, soo werd de selve niet te min in het ge-<lb/> meen seer verwaarloost ofte veragtt. Want deese raad, hoe<lb/> goed ende seeker hy ook zy, in 't gemeen niet aangenoomen<lb/> werd van menschen, die door voorspoeden dronken gewor-<lb/> den zijn, ende oover sulks ook sig verseekeren, immers vaste-<lb/> lik meenen, wijser als andere menschen te weesen, sulks sy ge-<lb/> meenelik voortgaan met hooge sprongen te doen, ende daar<lb/> in haar verderf te vinden. Gelijk men deese dwaasheid wel<lb/> meest bespeurd in menschen, die in eenen neederigen ende seer<lb/> geringen stande gebooren zijnde, haare goederen ongemeen seer<lb/> koomen te vermeerderen, door eenige beesigheeden ofte nee-<lb/> ringen, die haar daar naa te gering dunken, ende waarom sy<lb/> op hoope van meer geagt te sullen werden, ende grootere win-<lb/> sten te doen, andere besigheeden ofte neeringen by der hand<lb/> neemen, welke met haare voorgaande gants geene gemeen-<lb/> schap hebbende, haar dien volgende ook onbekend zijn, sulks<lb/> sy die nieuwe neeringen sonder verstand doende, daar in veeltijds<lb/> haar verderf vinden.<lb/> Ende wer ook somtijds eene nog veel grootere dwaasheid<lb/> <pb n="embstma_add132_fac091"/> bespeurd, wanneer die menschen, welke eerst naarsige ende voor-<lb/> spoedige handwerks-luiden zijn geweest, daar naa eenige andere nee-<lb/> ringe, die daar meede gemeenschap heeft, onderneemen, ende dat<lb/> die haar ook wel gelukt zijnde, sy alsdan vervolgens eenige aan-<lb/> sienelike koophandelingen in die waaren, daar sy door haard hand-werk<lb/> kennisse van hebben gekreegen, aanvangen; ende soo doende,<lb/> wijselik binnen den arbeidsaamen ofte sorgvuldigen Borgerlijken<lb/> Stand blijvende, met de meeste vergenougsaamheid ende vreugde<lb/> souden konnen leeven: sy des niet te min alsdan die dwaas-<lb/> heid begaan van nog veel hooger te willen stijgen, ende waa-<lb/> nen als Eedelluiden te konnen leeven; ende voor sulken geagt en-<lb/> de ge-eerd te sullen werden, indien sy van eenen Koninge of-<lb/> te Vorste den naam van Eedelman ofte Ridder verkreegen heb-<lb/> bende, eenige Heerlikheeden, met hooge ende laage Jurisdictie voor-<lb/> sien, in haaren Vaaderlande koomen te koopen, niet wee-<lb/> tende, dat die agting, ende de voordelen, die daar aan vast<lb/> souden moogen, weesen, niet bekoomen konnen werden, dan<lb/> van die menschen, in welkers geslagt eenige voort-teelingen<lb/> naar een seer groote rijkdommen bevonden; ofte eer-amten<lb/> bekleed zijn geweest: ende niet ooverdenkende, dat daar en<lb/> teegen alle menschen uit der aard seer nijdig zijn op alle de<lb/> gelukkigen, welke sig nieuweliks booven haars gelijken, ende<lb/> insonderheid met eenen grooten sprong, verheffen: als meede<lb/> die menschen niet genoug ooverweegen, dat of wel de nijd<lb/> der minderen draagelik schijnd, nogtans de nijd, veragting ofte<lb/> dwers-drijving der meerderen, ende insonderheid van beiden niet<lb/> sonder seer groote ongemakken gedraagen kan werden van dee-<lb/> se nieuwe Eedelluiden. Sulks sy sig van haare meede-Borgeren<lb/> benijd, van de oude Eedelluiden veragt, ende van beiden gestoo-<lb/> ten voelende, veeltijds meenen de nijd, veragting, dwarsdrij-<lb/> ving, twisten ende pleiten, voor te koomen ofte te betemmen,<lb/> met sig als ooverkostelijke ende milde Eedelluiden met de oude Eedel-<lb/> luiden wel ende seer vriendelik te onthaalen; Hoewel wy daage-<lb/> liks sien, dat die nieuwe Eedelluiden daar door des te meer van<lb/> de Ouden gehaat ende bespot werden, selfs terwijle die haare<lb/> <pb n="embstma_add132_fac092"/> spijse ende drank nuttigen, ofte andere Vriendschappen genie-<lb/> ten. SUlks deese Nieuwe Eedelluiden gemeenelik des te eer-<lb/> der sig daar meede verderven, ende verdorven zijnde, soodaa-<lb/> nig anderen Menschen ten spotte strekken, dat sy met geen<lb/> menschelik meede-doogen konnen werden aangesien, dan met<lb/> haar tot eenen trooste in haar ellendg leeven de Dood toe te<lb/> wenschen. Ende schoon sy Nieuwelingen dien hoogen swier, haar<lb/> leeven geduurende, soo konnen uitvoeren, soo doen sy nogtans<lb/> haare kinderen daar door seekerlik in de uiterste armoede ende<lb/> ellenden vervallen.<lb/> Sulks de eigentlijke sin ende leer deeser FABULE is, dat ge-<lb/> ringe Menschen schielik groot geworden zijnde, den raad van<lb/> haar oude Vrienden, raadende niet al te hoog te willen stijgen,<lb/> moeten involgen, of dat sy, het teegendeel doende, seekerlik<lb/> haar verderf daar in sullen vinden.<lb/> </p> |
| SEQ |
15 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic087.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem014 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
A big young frog thinks he can become as tall as a cow |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Tracht niet naar een hogere staat |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac087 |
| MOTTO_LA |
<p>Tuo te metire pede</p> |
| TYPE |
emblem pictura |
| IC |
25F51(FROG)(+21) 25H21431 47I2112 51G1 52AA53(+4) 57AA647(+4) 85(FROG AND COW) 86(TRACHT NIET NAAR EEN HOGERE STAAT) 86(TUO TE METIRE PEDE) |
| PREV |
embstma_add132_emblem012 |
| MOTTO_NL |
<p>Tragt niet naar een hooger Staat.</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem013 |
| MOTTO_LA_NORM |
Tuo te metire pede |