$ TEXT_EXPL_XML
16. De Leew, Kalf, Geit, ende Schaap.
De leew, maatschap gemaakt hebbende met een
Kalf, Geit, ende Schaap, om door de Jagt op an-
quam, op aaten, eenigen Beuit te bekoomen, ende door
dat middel veele Dieren gevangen zijnde, met groot ge-
vaar, dat het Kalf, Geit, ende Schaap, selfs van die Die-
ren, geduurende haare Jagt, gequetst ofte verslonden sou-
de zijn geworden, waar van de Leew als van sijne Min-
deren, geenen nood had; Soo wierd efter daar naa het
Wildbraad door die drie onnooselen in vier gelijken dee-
len ordentelik onderscheiden, met die meeninge, dat
ende de Leew om sijne waardigheid, allen de Voorkeur
hebben soude; ALs wanneer de Leew, het eersten naar
sig nam, om dat hy de uitsteekenste was; het tweeden
seide hy hem toe te koomen, om dat hy, buiten tee-
genspreeken, de sterkste was; het derden gedeelte, seide
hy, dat hem niet konde bedisputeerd worden, dewijl
het kennelik was, dat hy de meeste moeite daar toe had
besteed; ende voegde hy daar by, dat, die van haar drie,
soo laatdunkende ende stout was, om booven de twee
andere makkeren sig het vierde toe te eigenen, dat die
sig ook moest gehartigd vinden, om teegen hem te veg-
ten: alsoo hy den selven van nu af aan, voor sijnen oo-
penbaaren Vyand verklaarde. Soo draa deese weereloo-
se Dieren het besluit van den Leewe verstonden, moe-
sten sy, om des Leews vriendschap, ende hun leeven te
behouden, deese onregtvaardigheid nog veinsen te prij-
sen, ende vel opgeeven van hun groot genougen oover
de selve.
Uitlegging der Woorden.
De Ouden hebben hier verstaan met den Leew,
een Mensch, die van andere te berooven, gewoon is,
te leeven.
Met KALF, GEIT, ende SCHAAP, menschen die
gewoon zijn, onnooselik van haar eigen Inkoomen te
leeven.
OM dat de Menschen behouftig ende daar beneevens soo on-
magtig zijn, dat sy het gunt haar noodig is, veeltijds niet
maaken sy alsdan Maatschappien, ende bouwen die in het aangaan
der selven altijds op deese Billikheid, dat yder der Maats naar ge-
raade der kennisse, sorge, arbeid ofte goederen, die hy ter
Maatschappie toebrengd, ook sijn aandeel der toekoomende Win-
sten ende Schaaden behoorde, ende ook naar onderlinge be-
schreevene Voorwaarden, sal genieten ende draagen. Ende op
dat het selven ook naargekoomen werde, is niet alleen nodig,
dat alle het opgemelden wel uitdrukkelik beschreeven, ende on-
der de Maats soodaanige gelijkheid zy, dat geen der selven deese
Billikheid ende Voorwaarden mooge veragten ende straffeloos
breeken, met het goeden naar sig, ende het quaaden ten laste
der andere Makkeren te laaten: maar is daar en booven ook noo-
dig, dat het gunt door die Maatschappie bejaagd werd, allen eeven
dienstig, ende indien allen niet eeven noodig ofte aangenaam is, dat
ten minsten niemanne derselven schaadelik zy. Het wel, indien
wel behertigd wierd, soo soude men niet sien soo veele ongelijke
Maatschappien, Borgers ende Boeren, met Koningen, Vorsten, Eedelen,
ende Krijgs-luiden, welke om dat altijds verscheidene ende somtijds
ook tegen een strijdende insigte hebben, gemeenelik alle eenen
seer quaaden uitslag voor den Minderen plagten te hebben.
Ende insonderheit soude men nooit sien, dat Vrye Republiken die
op haaren eigenen Landbouw, Koophandel, Visserie ende See-
vaart, ende dien volgende eewiglik op Vreede gegrond zijn, sou-
den onderneemen met oorlog-lievende Koningen ende Vorsten aan te
spannen, om andere Staaten ende Potentaten eevenwigtig te hou-
den ofte te ooverweegen; ende nog veel min soude men sien,
dat sy douden aanspannen, om eenige Landen ende Steeden der sel-
ven in te neemen, ende daar naa die onder de ooverwinners te
deilen: alsoo ten besten gaande, selfs naa die ooverwinninge en-
de rechtvaardige deelinge; die ooverwonne Landen ende Steeden,
aan soodaanige Vrye Republiken altijds tot eenen groote Laste strek-
ken, ende dat booven dien de ooverwinnende Koningen ende Vor-
sten in soodaanigen Stande sig bevindende, gewoon zijn alle het
gunt door gemeene kosten ende arbeid is gewonnen, naar sig
kers Republiken te doen ontsien, welke om voortaan geene
twee in plaatsen van eenen, ende sterke in plaatse van swakke Vyan-
te hebben, alles aan dien ooverwinnenden Koninge ofte Vorsten
moeten toe geeven ende ten goeden houden. Ende is dit ei-
gentlik oogwit deeser FABULE, alwaar een Leew, die ge-
woon is Vlees te eeten, een Kalf, Geit ende Schaap, die niet
dan gras eeten, des niet te min op voorgeeven, dat andere Die-
ren haar gras verminderen, weet te beweegen, om gesaament-
lik te gaan jaagen ende te dooden andere Dieren, die haar niet
voeden konnen, ende door welke de Leew des te sterker gevoed werd.
Pares cum paribus facillime congregantur.
TYPE emblem pictura IC 25F23(LION)(+45) ; 44G522 ; 47I2113 ; 47I2133 ; 47I214 ; 54A7 ; 59CC21(+4) ; 85(LAMB, CALF AND GOAT HUNT WITH THE LION) ; 86(KIES GEEN GROTER MEDEMAAT) ; 86(PARES CUM PARIBUS FACILLIME CONGREGANTUR) PREV embstma_add132_emblem015 MOTTO_NLKies geen grooter Meede-maat.
ID embstma_add132_emblem016 MOTTO_LA_NORM Pares cum paribus facillime congregantur CHILDREN CHILDREN_SQRT 0