TEXT_EXPL_XML

<p>20. De Distelvink ende haar Meester.<lb/> Een Distelvink, door haar Meester lang in eener Kou-<lb/> we sorgvuldig opgevoed weesendt, vond eenmaal het<lb/> deurken ongeslooten, ende versuimde niet, aanstonds in<lb/> der vrye Lugt te vliegen. Waarom de Meester haar voor-<lb/> droug, hoe sorgvuldig ende oovervloedig hy haar altijds<lb/> had gevoed, ende met hoe groote moeite ende schaars-<lb/> heid sy, voornaamentlik des Winters, in der vrye Lugt,<lb/> wanneer alle Bossen ende Velden met sneew bedekt, en-<lb/> de alle Waateren bevrooren souden weesen, haaren Kost<lb/> ende Drank soude konnen vinden, niet weetende, waar<lb/> sy alsdan haaren voet needer setten, ende in wat Nest sy<lb/> <pb n="embstma_add132_fac122"/> kruipen souden konnen, om niet van Honger, Dorst,<lb/> ende Koude te vergaan: Derhalven die Meester haar be-<lb/> loovende, de selve sorge voor haar te sullen draagen, die<lb/> hy voormaals ten haaren besten gedraagen had, als nog<lb/> te sullen draagen, jaa die merkelik te sullen vermeeren,<lb/> alsoo hy aan haare lievelike Sang gewoon was, versogt,<lb/> dat sy weederom in der Kooje geliefde te komen. Maar<lb/> deese Vogel antwoorde, dat dewijl haar geluk ende on-<lb/> geluk alleen van haares Meesters sorge ofte onsorge afge-<lb/> hangen had, ende weeder soude afhangen, ende dat sy<lb/> nogtans van des selfs sorge ende liefde t'hemwaarts, soo<lb/> wel niet, als van haare eigene sorge ende liefde versee-<lb/> kerd Konde weesen; Sy derhalven liever had buiten der<lb/> Kooje naar haar eigen sin te leeven, om aan dat geval<lb/> van eenes anderen liefde ofte haat te moeten afwagten,<lb/> niet onderworpen te zijn.<lb/> </p>

<p>Uitlegging der Woorden.<lb/> Met een DISTELVINK, hebben de Ouden ver-<lb/> staan, een Eedelmoedig Mensch, die by ongeluk-<lb/> ke in Slaavernie vervallen is.<lb/> Met haar MEESTER, een Heer die sijne Slaaven<lb/> last handeld.<lb/> Alsoo de Menschen in sig selven aangemerkt zijnde, aan nie-<lb/> manne dan aan Goode haaren Scheppere onderworpen zijn, ende<lb/> dat die, om de selven menschelijker wijse te konnen regeeren,<lb/> haar heeft begaafd met Reeden-kaavelinge ende een geheugen ofte ge-<lb/> wissen van dien, soodaanig dat sy dig verheugen ofte bedrouven,<lb/> als sy sig naar de gesonde Reeden gedraagen hebben, ofte daar<lb/> van afgeweeken zijn: Soo is het eene groot ondankbaarheid teegen<lb/> <pb n="embstma_add132_fac123"/> God, ende is het ook het grootsten quaad dat wy ons selven doen<lb/> konnen, wanneer wy God, ende onse Reeden, ende ons Gewissen<lb/> verlaaten, om ons ende alle ons doen ende laaten, eens ende voor<lb/> allen te onderwerpen aan te beveelen, lasten ende wille van eenen<lb/> anderen sondigen Mensche. Ende zijn op deesen gronde gebowd alle<lb/> de Roomse Borger-Wetten, welke eenen Vryen Mensche ontneemen<lb/> alle gonsten van Regenten, als des in het geheel onwaardig zijnde,<lb/> wanneer hy sig vry-willig ter Slaavernie heeft laaten verkoopen,<lb/> aan eenen Heere ter goeder trouwe, ende dat om te genieten<lb/> een gedeelte der Koop-penningen, voor welken hy verkost is<lb/> geworden.<lb/> Waar teegen niet strijd, dat de Menschen seer wel doen, wan-<lb/> neer sy, met eenige verminderinge van haare aangeboorene Vryheid,<lb/> goed vinden oover te gaan uit deesen naturelijken in den Borgerlijken<lb/> stande: alsoo sy alsdan nog behouden die Vryheid, om alles te doen<lb/> ofte te laaten, dat haar door geen geweld belet, ofte door geene<lb/> Wetten, die haar niet meer dan alle andere Onderdaanen verbinden,<lb/> belast ofte verbooden werd: ende dat Geweld nieman schuldig kan<lb/> maaken aan eenige misdaad. Gelijk meede bekend is, dat de<lb/> Wetten eener Republike, door veele Wetgeeveren, naar de gesonde<lb/> reeden, ende ten besten der meeste Ingeseetenen gemaakt moe-<lb/> tende werden, geen Onderdaan van dien kan sondigen met sig<lb/> daar naar de gedraagen.<lb/> Maar alle het quaad, dat hier bestraft werd, begaan die Men-<lb/> schen, welke voorbedagtelik God, als meede hunne eigene Reeden<lb/> ende Wille volgen, ofte de straffe die 't hem geliefd haar op te leg-<lb/> gen, te moeten lijden. Ende soodaanige sondige Menschen zijn<lb/> alle Heeren die Slaaven hebben, als ook alle Koningen ende Vorsten,<lb/> die aan geene weesende, nogtans oover haare Misdaaden teegen de<lb/> selven, niet naar haare verdiensten gestrafd konnen werden.<lb/> Ende indien dit, naamentlik sig in soo eenen stande te stellen,<lb/> dat men sig aan eenen anderen Mensche in het geheel onderwerpt,<lb/> is eene soo groote ondankbaarheid teegen God, ende een soo groot<lb/> quaad in bysondere Menschen, wanneer sy dus met haar eigen selfs<lb/> ende van haare eigene Saaken handelen, wat een groot schelmstuk sul-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac124"/> len wy seggen, dat begaan de Regenten van eene Vrye Republik, wel-<lb/> ke alle de Ingeseetenen van dien moogende regeeren, naar Wetten<lb/> ende naar het Dictamen van haar gemoed, dat is naar de wetten die<lb/> God in aller Menschen herten geschreeven heeft, ongtans sig selven<lb/> niet alleen, maar ook haare Weesen, dat is, alle de onnoosele gemeene<lb/> Ingeseetenen, ende alle die onschuldige Naakoomelingen der sel-<lb/> ven, onderwerpen aan de lusten ende wille van eenen Mensche. Na-<lb/> mentlik sy begaan een soo groot schelmstuk met God ende de Reeden<lb/> te verwerpen, om oover die Republik eenen Koning te stellen, dat<lb/> Heemel ende Aarde sig voor deesen daar oover ontsteld heeft,<lb/> ende nog heefen sig daar oover behoorde te ontsetten.<lb/> Ende wat sullen wy eindelik seggen van Regenten soodaaniger<lb/> Republiken, welke eenmaal door ongelukken in slaavernie verval-<lb/> len, ende door de Goddelijke voorsorge daar uit verlost zijnde,<lb/> des niet te min om eenige Officien ende Benesicien te konnen genieten,<lb/> voorbedagtelik ten tweeden maale alle die onnoosele Weesen, haare<lb/> Ingeseetenen, uit der gemeene Vryheid in eene ondraagelijke Slaavernie<lb/> werpen? Namentlik wy seggen, dat de schelmstukken soodaniger<lb/> Regenten soo groot ende van ouds onder onse beroemde Vrye Duit-<lb/> sen soo onbekend zijn, dat wy in onser Duitser Taale geene naamen<lb/> vinden konnen, om de grootheid der selven uit te drukken, ende<lb/> dat ook de geheugenisse der selven als van eewiglik verdoemde<lb/> Menschen, uit alle Gedenk-schriften gewist, ofte ten minsten haarez<lb/> aldaar niet dan met de aller-uiterste vervloekingen gedagt behoor-<lb/> de te werden.<lb/> Gelijk deese FABUL ons seer wel leerd, dat de Distelvink een-<lb/> maal uit haar kooje gevloogen zijnde, niet jeegenstaande sy een<lb/> ongemeen goed Meester hadde gehad, ende dat die haar seer goede<lb/> beloften deede, van haar nog safter ende beeter te handelen, sy<lb/> daar door niet konde werden aangelokt, om sig ten tweeden<lb/> maale in der Kouwe te laaten sluiten.<lb/> </p>

SEQ

22

PARENT

embstma_add132

HIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

URL_IMAGE

embstma_add132_pic121.jpg

TIPE

emblempictura

NEXT

embstma_add132_emblem021

IIHIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

CAPTION_EN

The fowler predicts hardship to the escaped goldfinch who refuses to return to the easy life of the cage.

SOURCE_FILE

embstma_add132.xml

MOTTO_NL_NORM

Vrijheid, blijheid

LINK_FACSIMILE

embstma_add132_fac121

MOTTO_LA

<p>Alterius ne sit qui suus esse potest.</p>

TYPE

emblem pictura

IC

25F32(GOLDFINCH)(+535)

25G3

25H17

34B13(+22)

41A3212

41A3311

41A3331

43C13

51E11(+4)

85(THE FREEDOM OF THE GOLDFINCH)

86(ALTERIUS NE SIT QUI SUUS ESSE POTEST)

86(VRIJHEID BLIJHEID)

PREV

embstma_add132_emblem019

MOTTO_NL

<p>Vryheid, Blyheid.</p>

ID

embstma_add132_emblem020

MOTTO_LA_NORM

Alterius ne sit qui suus esse potest