TEXT_EXPL_XML

<p>28.De Voogelaar ende de Voogel.<lb/> SEekere Voogelaar omtrend den Maande van October<lb/> sijn Vinke-net in een goede ordere geset hebbende,<lb/> met alle sijne blinde soet quinkeleerende oude Vinken; en-<lb/> de eenige trouwen opgespannen zijnde, om de Netten<lb/> wel te konnen ooverhaalen, ende de vreemde Vinken<lb/> daar in te vangen, terwijle sijne eigene Vinken uit der<lb/> <pb n="embstma_add132_fac164"/> duisternisse ende koude in den ligte ende warmte der Son-<lb/> ne koomende, sig inbeeldeden, in den beginne des Soo-<lb/> mers te weesen, ende desweegen van groote vreugde son-<lb/> gen. Sulks de Voogelaar ook uit der konste ende seer<lb/> schoon speelde op een Fluitken in den Herfst-tijd, om<lb/> uit der Lugte ten deele aan te lokken, die vreem-<lb/> de Voogelen, welke, om den Winter in het Noorden,<lb/> die aldaar seer vroug met veel Sneew ende dik Ys vroug<lb/> aankomt, te ontgaan; Naademaal sy in dat Saisoen, al-<lb/> daar nog saad, nog wormen, nog vliegen, nog vissen,<lb/> om sig daar meede te voeden, vinden: Sulks sy alsdan naar<lb/> het Suiden vliegen, om buiten den Sneew ende Yse in der<lb/> warmte aldaar hunnen kost te konnen vinden. Welke<lb/> geleegendheid deese Voogelaar nu waar nam, om deese<lb/> onnoosele Voogelen aan te lokken, op dat sy sig aldaar<lb/> wilden needer setten. Ende het gelukte hem aanstonds,<lb/> dat een seer soet singende vremde Voogel op dat geluit nee-<lb/> der daalde uit der lugte, ende den Voogelaar vraagde, wat<lb/> hy aldaar maakte; die daar op antwoorde, dat hy eene<lb/> Stad bowde, des de Voogel seide, dat hy uitgevloogen<lb/> was, om eene wooning te souken, ende dat hem deese<lb/> plaatse, als seer vermaakelik zijnde, wonder wel behaag-<lb/> de, indien hy aldaar in der seekerheid sijnen kost konde<lb/> vinden. Waar op de Voogelaar hem wijders verseeker-<lb/> de, dat hy aldaar neevens de andere Voogelen, in aller<lb/> gerustheid sijnen kost vermogt te raapen, ende dat hy nu<lb/> eeven seer wel te passe quaam, om sig aldaar ter needer te<lb/> slaan, ende met die oude Voogelen gebuurschap te maa-<lb/> ken: Het welk die Vink geloovende, sig aldaar blijdelik<lb/> ter needer sette, neevens de oude Vinken: maar op der<lb/> selve stonde kreeg hy het Net oover 't hooft, om in ee-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac165"/> ne kooy geset, ende aldaar vet gemest te worden, ende<lb/> vet geworden zijnde, kreeg hy met eenen des Voogelaars<lb/> duim op der keele, in welke benawtheid zijnde, hy nog<lb/> effen voor sijne dood seide; Lokt gy soo de Voogelen uit<lb/> der Vrye Lugt aan, om die daar naa te dwingen dat by<lb/> u blijven woonen, op dat, indien sy aldaar door eenig<lb/> goed voedsel middeler wijle vet worden, sy ook alsdan<lb/> door u geplukt, gedood, ende gegeeten souden moogen<lb/> wordne? Ende bowd gy soodaanig uwe Stad, welke<lb/> sullen de Inwooners zijn, die gy meend te verkrijgen en-<lb/> de te behouden? Voorwaar geene, dan die van deese<lb/> uwe quaade Konsten geene de minste kennisse hebben.<lb/> Ende sal deese uwe Schijn-Heilige wreedheid haast oo-<lb/> ver den geheelen Aard-boodem bekend, ende uwe Stad<lb/> allangs geheel ontvolkt werden, zijn, ende blijven.<lb/> </p>

<p>Uitlegging der Woorden.<lb/> De Ouden hebben hier met een VOOGELAAR ver-<lb/> staan, Koningen, Vorsten, ende Regenten, die<lb/> Steeden bouwen.<lb/> Met het FLUITKEN, ende blinde singende Voo-<lb/> gelen, aanbiedingen van alle Vryheeden, aldaar te<lb/> sullen genieten, als ook de beloften van veele Voor-<lb/> regten te sullen hebben, ende te moogen in der Eewig-<lb/> heid gebruiken.<lb/> Met soet-singende VOOGELEN, uit der Lugt needer-<lb/> daalende, Koopluiden, Konstenaars ende Handwerks-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac166"/> luiden, die door geene Vaste Goederen aan Landen<lb/> ofte Steeden vast zijn, ende derhalven van den eenen<lb/> Lande naar den anderen, seer ligt vervliegen kon-<lb/> nen.<lb/> Met het NET oover het Hoofd te krijgen, den In-<lb/> geseetenen door Verspondinge ofte eenig regt van ISSUE,<lb/> veel Gelds af te neemen, of wel de vertrekken willen-<lb/> de, ofte vertrokken zijnde, des niet te min met Schat-<lb/> tingen Iaareliks te beswaaren, om alsoo haar het ver-<lb/> trekken te beletten.<lb/> Met den Duim op der keele te krijgen, terwijle<lb/> men in eenige Landen ende Steeden sig ter needer geset<lb/> heeft, aldaar door Schattingen, Imposten, Tollen, en-<lb/> de Convoy-Gelden, beswaard te werden.<lb/> DAt de gemeene Bewooners der Steeden, ende insonderheid de<lb/> Regenten van dien, booven de gemeene Bewooners ende de<lb/> Regenten der platte Landen, groote Voordeelen genieten konnen,<lb/> ende dat ook die gemakken ende voordeelen des te meer ende groo-<lb/> ter werden, naar geraade dat die Steeden grooter ende meer be-<lb/> volkt werden, gevoeld ende weet een yder, in, ende door on-<lb/> eindelijk veele gevallen; ende inonderheid gevoelen ende wee-<lb/> ten de Staat-kondige Regenten der Vrye Republiken, het selven seer<lb/> wel, ende daaromme tragten sy ook oover alle haare Steeden, soo<lb/> veel haar doenelik is, te bevolken ende te vergrooten. Ende<lb/> hoewel Koningen, Vorsten, ende haare Hovelingen, het selven ook<lb/> seer wel weeten, soo willen sy nogtans in haare Landen niet gaar-<lb/> ne grootere ende meer bevolkte Steeden hebben, dan wiens In-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac167"/> geseetenen sy gemakkelijk door eene Hofstoet ende Lijfwagt kon-<lb/> nen schatten, scheeren, ende bedwingen. Efter komen sy alle<lb/> daar in oover een, dat sy in haare Landen gaaren Steeden ofte<lb/> by-een-wooningen van veele Menschen hebben. Sulks wan-<lb/> neer in haare Landen geene Steeden zijn, of wel wanneer die<lb/> niet zijn, daar hun dunkt dat sy behoorden te weesen; Soo<lb/> zijn sy gewoon, daar afkondigingen ende uitschrijvingen van seer<lb/> groote Vryheeden ende Voorregten, die alle de Ingeseetenen sullen<lb/> mogen aldaar genieten, alle naabuurige Volkeren aan te lokken,<lb/> om aldaar ter woone te koomen, op hoope dat wel allermeest<lb/> de ligt-verhuisende Koopluiden, Konstenaars, ende Handwerks-luiden,<lb/> tot haar ooverkoomen, ende met haare rijkdommen, konsten<lb/> ende handwerken, daarwaarts ooverbrengen sullen. Sulks alle, die<lb/> geneegen mogten worden, in soo eenen gevalle haar Vaaderland<lb/> te verlaaten, om een beeter Land ofte beetere Stad te gaan bewoo-<lb/> nen, voor het uitwerken van die geneegendheid, ende eer sy<lb/> sig tot het vertrekken gereed maaken, ofte eenige onkosten ten<lb/> dien einde doen, wel behoorden te ondersoeken ende rijpelik<lb/> te ooverweegen, van wien die aanbiedingen ende aanlokkin-<lb/> gen gedaan werden. Want indien die uitschrijvingen ende aan-<lb/> lokkingen geschieden van Volks-Regeeringen ofte Vrye Republiken,<lb/> in het gemeen welvaaren, naamentlik soo wel der oude Inboore-<lb/> lingen, als der niewe Aankomelingen, haar eigen voordeel souken<lb/> ende ook vinden sullen konnen soodaanig in der eewigheid, dat<lb/> hoe die Gemeene, het zy der oude het zy der niewe Ingeseetenen, des<lb/> te beeter vaaren, opgemelde Regenten der Vrye Republiken ook see-<lb/> kerlik des te beeter vaaren sullen. Ende is dien volgende ook<lb/> waarhafftig, dat alle Koopluiden, Konstenaars, ende Handwerks lui-<lb/> den, die weegens verteerende ofte inkankerende Lasten ende<lb/> Schattingen, als ook door verslindende Oorlogen, Hongers-nood ofte<lb/> Pest, welke haare Koningen ofte Vorsten, ende andere gevallen<lb/> des Weerelds veroorsaaken, gedwongen werden haar Vaaderland<lb/> te verlaaten, het selven in soo eenen gevalle doen moogen, en-<lb/> de ook te doen behoorden, om te trekken naar soo eenen Lan-<lb/> de ofte soodaanige Steeden, daar hen die Vryheeden beloofd<lb/> <pb n="embstma_add132_fac168"/> werden, mits dat sy alvoorens meenen, kennisse ofte bequaam-<lb/> heid genoeg te hebben, om door haare gewoonelijke beesig-<lb/> heeden, konsten, koophandel ofte arbeid, sig in die vreemde<lb/> Landen ofte Steeden te sullen konnen erneeren.<lb/> Maar wanneer in teegendeel die Aanbiedingen ende Beloften<lb/> van groote Vryheeden ende Voorregten aan alle oover-koomende<lb/> Vreemdelingen werden gedaan van Koningen ofte Vorsten; Soo<lb/> moeten die Vreemdelingen wel indagtig zijn, dat waarelik alle<lb/> groote Steeden, ofte om beeter te seggen, alle wijse ende rijke In-<lb/> geseetenen van dien, de quaade Regeeringen der Koningen, Vorsten, of-<lb/> te haare Hoovelingen, allermeest bemerken ofte gevoelen, ende<lb/> dat de Ingeseetenen der grote Volkrijke Steeden ook veiliger als<lb/> de Ingeseetenen der onbevolkte kleine ende arme Steeden, de<lb/> Tyrannie ofte al te groote dwang der Koningen ende Vorsten be-<lb/> letten konnende, den selven Koningen, Vorsten ende Hoove-<lb/> lingen, ook waarelik veeltijds teegenstaan. Ende dat sy daarom<lb/> ook altijds innerlik van den Koningen, Vorsten ende haar Hoo-<lb/> velingen, seer gehaat werden. Sulks allesins verwagt moet wer-<lb/> den, dat die Koningen ende Vorsten met haare Aanbiedingen,<lb/> Beloften, Schrift ende Seegel, van groote Vryheeden ende Voor-<lb/> regten, den gemeenen Ingeseetenen dier Steeden te sullen laa-<lb/> ten genieten, het voordeel gants niet souken van Borgeren ende<lb/> Boeren, naademaal sy gewoon zijn, die te plukken ende te<lb/> scheeren, maar dat sy nietwes anders voor hebben, dan uit<lb/> der ooverkoomende Vreemdelingen welvaaren, haare eigene<lb/> Grootheid ende Ooverdaad te voeden, ende dat soo haast sulks<lb/> doenlik weesen sal, sonder eenigsins agt te slaan op haare woor-<lb/> den, gegeevene Trow, Schrift, ende Seegel. Ende dat derhalven<lb/> Onderdaanen eener Een-hoofdige Regeeringe, onder welke sy ge-<lb/> booren zijn, ende daar sy by gevolge de Taale, Wetten en-<lb/> de Gewoonten, als ook de Menschen, waar meede sy omme<lb/> te gaan hebben, kennen ende alwaar sy daar en booven haa-<lb/> te Maagen ende Vrienden hebben, de selve verlaatende; om,<lb/> al waare het met de allerbeste bedongene Voorwaarden, te gaan<lb/> woonen onder eenen anderen Heere, Koning, ofte Vorste, daar<lb/> sy de Taale, Wetten, Gewoonten, ende Menschen, niet ken-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac169"/> nen, ende geene Vrienden ofte Maagen hebben, vergeleeken<lb/> moogen werden by onvernustige Dieren, welken uit eenes bekenden<lb/> Leewen Hoole ontvlugtende, in eenes onbekenden Leewen Hoole sig needer<lb/> setten, alwaar sy door haare onkonde nog meer reeden om te<lb/> vreesen hebben, dat indien sy Vet ende Vleesig zijn ofte werden,<lb/> ende die Leew ofte een sijner Hoovelingen honger krijgd ofte krijgen,<lb/> sy ook veel eer als de oude gemeene Dieren, welken veel bee-<lb/> ter als sy, weeten, hoe die Leew ende sijne Hoovelingen ge-<lb/> paaid konnen zijn, seekerlik verslonden sullen werden. Ende<lb/> is mitsdien waarhaftig, dat deese Niewelingen by gevolge, dus<lb/> doende, seekerlik altijds, om den Rook te ontgaan, in den Viere<lb/> springen sullen.<lb/> Gelijk wy daageliks konnen sien, dat Koningen ende Vorsten,<lb/> niet jeegenstaande soodaanige gegeevene Trow, door strenge<lb/> Verbooden van alle der vertrekken willende Ingeseetenen Goe-<lb/> deren te sullen aanslaan, ofte door een versierd Regt van Ver-<lb/> pondingen, alle haare Ingeseetenen beletten uit haare Landen<lb/> te vertrekken, als ook de vertrokkenen t'haaren gelievem en-<lb/> de ten seekeren daage, weeder in roepen, om op verbeurte<lb/> van alle haare Goederen, die opgemelde Koningen ofte Vorsten<lb/> sullen konnen asterhaalen, in haaren verlaaten Vaaderlande te doen<lb/> weeder keeren: Ende sien wy dat sulks alleen geschied; op dat sy<lb/> Koningeen ende Vorsten onderwijlen, door swaare Schattingen, Im-<lb/> posten, ende Convoy-Gelden, ofte Tollen, op alle uit-ende in den<lb/> Lande gaande ofte koomende Waaren, Sig ende haare Hoovelin-<lb/> gen ende Krijgs-Bevelhebbers, souden moogen verrijken, ende met<lb/> een alle haare weeligste Onderdaanen van haare Leevens-mid-<lb/> delen, ofte ten minsten van alle haare weelde berooven souden<lb/> konnen, ende op dat sy de selven als Slaaven, die voor eenen<lb/> anderen sorgen ende arbeiten moeten, in arremoede souden<lb/> doen leeven ende sterven. Sulks wy wel moogen seggen,<lb/> dat het waarelik de allerdwaaste Menschen zijn, die op het soet<lb/> gesleuit van Koningen, Vorsten, ende Hoovelingen, haar Vry Vaa-<lb/> derland verlaaten, om sig ter needer te stellen onder eenen Ko-<lb/> ninge ofte Vorste.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac170"/> Ende souden wy eindelik wel van herten wenschen, dat<lb/> Landen, die de Naame willen hebben, van Vrye Republiken te<lb/> zijn, niet soodaanige Aanlokselen ende Beloften, ende daar naa<lb/> ook soodaanige Belastingen ende benaawingen der gemeene<lb/> Ingeseetenen, ende der sig aldaar ter needer geset hebbende<lb/> Vreemdelingen, hadden gesien.<lb/> Ende alsoo dit is de eigendlijke sin deeser FABULE, soo<lb/> sullen wy hier van geene andere uitlegginge doen.<lb/> </p>

SEQ

30

PARENT

embstma_add132

HIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

URL_IMAGE

embstma_add132_pic163.jpg

TIPE

emblempictura

NEXT

embstma_add132_emblem029

IIHIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

CAPTION_EN

Fowler, luring finches with his flute and with the help of trained, old finches

SOURCE_FILE

embstma_add132.xml

MOTTO_NL_NORM

Als de Bruit is in de Schuit, Soo zijn de Beloften uit

LINK_FACSIMILE

embstma_add132_fac163

MOTTO_LA

<p>Fistula dulce caniit volucrem dum decipit auceps.</p>

TYPE

emblem pictura

IC

25H114

25I1

31A2351

41D221(HAT)

43C13

43C131

44C13

44D2

46B21

48C752

48C7351

PREV

embstma_add132_emblem027

MOTTO_NL

<p>Als de Bruit is in de Schuit,<lb/> Soo zijn de Beloften uit.</p>

ID

embstma_add132_emblem028

MOTTO_LA_NORM

Fistula dulce canit volucrem dum decipit auceps