TEXT_EXPL_XML

<p>33. De Duiker ende Land-Voogels.<lb/> EEn Duiker, des nagts het schijnsel der Sterren in een<lb/> Vis-rijk Waater siende, meende dat het blinkende<lb/> Vissen waaren, sulks hy, om die te vangen, den geheelen<lb/> nagt te vergeefs arbeide; ende daar naa by daage waare-<lb/> lik eenige Vissen in den waatere siende, die hy soude heb-<lb/> ben konnen vangen, om sig daar meede te spijsigen, soo<lb/> vreesde hy weederom te vergeefd te arbeiden, ende be-<lb/> droogen te sullen zijn. Ende murmureerde hy vervolgens<lb/> <pb n="embstma_add132_fac190"/> oover den grooten arbeid die hy deede, om sijn aas soo diep<lb/> van onder het waater te haalen, ende dat met perijkul van<lb/> eenmaal daar door te sullen verdrinken: Derhalven hy be-<lb/> sloot, dat Ambagt van Vissen niet meer te doen; maar hem<lb/> by andere Voogelen te vougen, die sonder eenigen arbeid<lb/> haaren lekkeren kost op het Land vonden: des begaf hy<lb/> sig onder andere soorten van Voogelen, op het Land,<lb/> alwaar hy, door ongewoonte, soo wel als die Land-Voo-<lb/> gelen, de lekkerste ende voor hem noodsaakelikste ofte<lb/> dienstigste spijse niet kende, ende die nog min vinden<lb/> konde. Ende het ergsten van allen was, dat hy aldaar,<lb/> als een seer behouftige arme Vreemdeling, veragt wier,<lb/> ende dat hy in haare Spijse geene smaak vond; SUlks hy<lb/> maager wierd, ende wenste weederom als voor deesen,<lb/> sijnen kost in den Waatere te vinden: Maar, ten deele,<lb/> om dat hy sijne eerste gewoonte hadde verleerd, ende<lb/> afgewend; ende ten deele, om dat sijn lighaam tot soo<lb/> swaaren arbeid, door sijn uit-teeren ende quijnen, al te<lb/> swak geworden was, derfde hy sig niet meer tot het dui-<lb/> ken in den Waatere oovergeeven, waarom hy sturf van<lb/> honger ende gebrek.<lb/> </p>

<p>Uitlegging der Woorden.<lb/> Met een DUIKER hebben de Ouden verstaan,<lb/> een Man, die met sijne handen te arbeiden, sijnen<lb/> kost gewint.<lb/> Met LAND-VOOGELEN, werden hier verstaan,<lb/> Menschen die meest met haare gedagten arbeiden, of-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac191"/> te Leedig-gaanders, die door eenige konsten haaren<lb/> kost winnen.<lb/> Om dat wy onse eigene Saaken ooverleggende, altijds meer<lb/> gevoelen het teegenwoordige Quaadem als het Goeden, dat<lb/> daar in steekt, ende dat wy daar en teegen in anderer Menschen<lb/> Saaken altijds eerst ende meer vermerken het Goeden als het Quaa-<lb/> den, dat daar in is: Soo ontstaat hier uit, dat wy in onse eigene<lb/> Saaken, wanneer wy die by anderer Menschen Saaken vergelij-<lb/> ken, niet wijs genoug zijnde, om wel te besluiten, wat van<lb/> beiden eigendlik te houden zy; wy dien volgende oover Saaken,<lb/> daar ietwes aan geleegen is, behoorden raad te pleegen met an-<lb/> dere Menschen, die wy meenen ons gonstig te zijn, ende die<lb/> Saaken, welke wy haar voordraagen, wel te verstaan. Ende in-<lb/> sonderheid is dat raad-pleegen noodig in de aller-gewigtigste Saa-<lb/> ken, waar onder deese drie werden geteld: De eerste met wat<lb/> beesigheid men sig behoorde te erneeren, om sijn leeven met ee-<lb/> ren door te brengen. De tweede, of ende in welke gevallen men<lb/> in eenen Lande, daar men gebooren ende opgevoed is, behoord<lb/> te blijven ofte van wooninge te veranderen, ende waar sig ter<lb/> needer te setten. De derde, of ende met wien men sig in den<lb/> Houweliken Staate behoorde te begeeven. Ook is in alle Saaken<lb/> wel aan te merken, dat, om de selven wel te konnen ooverwee-<lb/> gen, noodig is, eerst te hooren den raad der geenen, die men<lb/> meend dat de voorgestelde Saak in het geheel afraaden sullen, op<lb/> dat men uit die mooge hooren alle de gebreeken ende ongemakken<lb/> van dien; ende dat ook noodig is, daar naa meede gehoord wer-<lb/> de den raad der geenen, die der selve Saake toegedaan zijn; op<lb/> dat die ons bekend moogen maaken alle deugden, voordeelen ende<lb/> gemakken, welken in die Saake souden moogen weesen. Het<lb/> welk gedaan zijnde, ende kennelik weesende, dat geene wee-<lb/> reldse Saaken volmaakt zijn; maar dat sy alle, hoe soet ende<lb/> schoon sy ons toe schijnen, haare gebreeken hebben: soo is het als-<lb/> dan het werk des Raad-pleegende, te maaken twee bysondere<lb/> Lysten, ende in de eene te stellen alle de bygebragte ofte beden-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac192"/> kelijke Voordeelen, ende in de andere Lijste alle bygebragte ofte beden-<lb/> kelijke naadeelen der Saake, waar oover men raad gepleegd heeft;<lb/> om alle de voor-ende naa-deelen by sig selven rijpelik te ooverwee-<lb/> gen, ende daar naa te besluiten, wat gedaan ofte gelaaten behoord<lb/> te werden; altijds indagtig weesende, dat het in Saaken, die twij-<lb/> felagtig zijn, ende die van niemanne dan van onse eigene keure<lb/> altijds hangen; Sulks die altijds in ons vermoogen sullen weesen,<lb/> het ook altijds veel beeter is, de selven in dien stande van Saa-<lb/> ken te laaten als te doen, het gunt daar naa niet weederom door<lb/> ons on-ofte ver-daan sal konnen werden. Ende dat daar en tee-<lb/> gen in Saaken, die van eene twijfelagtige uitslag schijnen te wee-<lb/> sen, ende die ook van andere Menschen ofte enige voorvallen-<lb/> de geleegendheeden hangen, doorgaans beeter is die te doen als<lb/> te laaten; om dat, wanneer de geleegendheid, om sulks te kon-<lb/> nen doen, voor by gegaan is, op soodaanig laaten gemeentelik volgd,<lb/> een al te laat Berow, welk of schoon in ons ontstaat uit eene Men-<lb/> schelijke swakheid omtrend onse oordeelen, soo is het nogtans<lb/> voor ons beeter een drouvig Berow voor te komen, als daar meede<lb/> belaaden te zijn. Om nu deese gemeene Reeden-kaavelinge aan<lb/> bysondere gevallen toe te passen, soude te lang zijn: derhalven wy,<lb/> by onser FABULE blijvende, alleen sullen spreeken van veran-<lb/> deringen van Landen ende beesigheeden ofte Neerinen, in volgender<lb/> wijse.<lb/> Oovermits het geval van gebooren ende opgevoed te werden in<lb/> deesen ofte dien Lande, als ook de Beesigheid om sig te erneeren,<lb/> hangd van de keure onser Ouderen; soo is waarelik het grootste<lb/> geluk ofte ongeluk der Kinderen, gebooren ende opgevoed te<lb/> zijn in seer bloejende rijke, ofte in quijende arme Landen en-<lb/> de Steeden, ende in het geen minder geluk ofte ongeluk, dat<lb/> ook onse Ouders voor ons hebben verkooren soodaanige beesig-<lb/> heeden, als met de geleegendheid onser Landen ende Steeden,<lb/> als ook met onsen eigen aard best oover een koomen; oft wel<lb/> dat die daar teegen strijden. Want een groot gedeelte onses<lb/> leevens besteed zijnde, om ons aan ende tot soodaanige Landen<lb/> Steeden ende Neeringen bequaam te maaken ende te gewennen;<lb/> Soo hebben wy waarelk by veranderingen van dien, genoug-<lb/> saam den aller-bequaamsten tijd onses leevens verlooren. Ende<lb/> <pb n="embstma_add132_fac193"/> daar en booven soo heeft gemeenelik die lange gewoonte ook soo-<lb/> daanige kraft op ons, dat wy in andere Landen, ende te gelijk tot<lb/> andere beesigheeden oover gebragt zijnde, ons seer swaarelik<lb/> daar naar konnen schikken.<lb/> Ende op dat de Menschen in deesen bequaamer mogten wee-<lb/> sen, om wel te oordeelen, wat daar omtrend wel gedaan ofte<lb/> gelaaten zy, leeren ons de Wijsen seer dienstig te weesen, in on-<lb/> se jeugd veele omleggende Landen, Taalen, ende wijsen van<lb/> leeven der Menschen, gehanteerd, geleerd, ende besien te heb-<lb/> ben: met die ooverlegginge, of men sig daar naar soude konnen<lb/> schikken ofte niet. Ende ten anderen leeren de selve Wijsen, dat<lb/> men sig niet alle te gelijk mag ter woone needer setten in eenen<lb/> Lande, daar de forme van Regeeringe, Wetten ende Gewoon-<lb/> ten, ons onbekend zijn; ende dat men sig voor eerst in eenen<lb/> vreemden ons onbekenden Lande niet als ter prouve, ende om<lb/> daar van eenige kennisse te krijgen, ter needer behoorde te set-<lb/> ten. Ende dat men daar beneevens sijne oude wijse van Leeven,<lb/> Hand-teeringe ende Neeringe niet plotselik in het geheel be-<lb/> hoorde te verlaaten, maar ten deele ook sijne voorgaande te be-<lb/> houden; op dat, indien de niewe, beproufd zijnde, niet bee-<lb/> ter als de oude te weesen, bevonden werd; men in 't geheel<lb/> by het oude soude moogen blijven, ende sig alsoo ernee-<lb/> ren.<lb/> alle deese voorsieningen derhalven noodig zijnde by de<lb/> best beraadene Menschen; Soo is voorwaar geen wonder, dat<lb/> Menschen, die met geene andere wijse Menschen raad-plee-<lb/> gen, ende niet weeten, dat Menschen altijds met haare gedag-<lb/> ten ofte met den lighaame moeten arbeiden, ofte dat sy ander-<lb/> sins sig selfs veel quaads veroorsaaken, veeltijds alleen sien op<lb/> de naadeelen hunnes Vaaderlands ofte haarer Neeringe, ende daar<lb/> en teegen ook alleen sien op anderer Landen ende Neeringen<lb/> Voordeelen, sonder daar en teegen haare eigene Voordeelen ook<lb/> teegen de Naadeelen der anderen in der waag-schaale te leggen;<lb/> Soo is het, seggen wy, geen wonder, dat deese onvoorsigtige<lb/> Menschen haar Vaaderland ofte Neeringen teegen andere wisse-<lb/> lende, gemeenelik in plaatse van te verbeeteren, een seer<lb/> drouvig einde hebben.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac194"/> Alle het welken ons leerd deese Duiker, welke, sonder ee-<lb/> nige voorgaande raad-pleegingen met andere Duikeren, uit<lb/> suivere leuiheid ende lekkernie, van het Waater op het Land<lb/> vliegende, ende sig aldaar met die Land-Neeringen, onder die<lb/> vreemde Land-Voogelen niet geagt siende, ofte sig konnende er-<lb/> neeren, al quijende komt te sterven.<lb/> </p>

SEQ

35

PARENT

embstma_add132

HIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

URL_IMAGE

embstma_add132_pic189.jpg

TIPE

emblempictura

NEXT

embstma_add132_emblem034

IIHIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

CAPTION_EN

reserved for caption

SOURCE_FILE

embstma_add132.xml

MOTTO_NL_NORM

Werp geene oude Schoenen weg, eer gy niewen hebt

LINK_FACSIMILE

embstma_add132_fac189

MOTTO_LA

<p>Omnis mutatio periculum habet.</p>

TYPE

emblem pictura

PREV

embstma_add132_emblem032

MOTTO_NL

<p>Werp geene oude Schoenen weg,<lb/> eer gy niewen hebt.</p>

ID

embstma_add132_emblem033

MOTTO_LA_NORM

Omnis mutatio periculum habet