| TEXT_EXPL_XML |
<p>36. De Leewerik ende sijne Iongen.<lb/> DE Leewerik, die sijn Nest had in een stuk Kooren-<lb/> lands, sullende uitvliegen om den kost voor sijne<lb/> Iongen te souken, vermaande haar wel agt te neemen op<lb/> het gunt sy in sijn afweesen van de Menschen, dat altijds<lb/> haare Vyanden waaren, souden koomen te hooren: op<lb/> dat indien eenig aanslag der selven teegen haar sig mogte<lb/> oopenbaaren, sy gesaamentlik vervliegen, ende alsoo haar<lb/> lieve leeven bergen souden konnen. Waar naa de oude<lb/> Leewerik van sijne uit-reise weeder-gekeerd zijnde, so-wierd<lb/> hy van sijne Iongen gewaarschoud, dat het tijd was op te<lb/> <pb n="embstma_add132_fac208"/> breeken, dewijle sy den Eigenaare des Akkers hadden<lb/> hooren sijnen Soone belasten, sijne goede Bekenden te ver-<lb/> souken, dat sy, op soo goed weederom, sijn Kooren-<lb/> land geliefden te koomen afmaajen, om daar naa het sel-<lb/> ven in garven, ende vervolgens in Schooven te binden.<lb/> Sulks de selven onder dat Oogsten seekerlik het Nest vin-<lb/> den, ende sy allen daar op betrapt souden werden. Daar<lb/> op de oude Leewerik antwoorde, dat sy nog geenen haast<lb/> hadden, dewijl des Eigenaars Vrienden, tot eenen ar-<lb/> beide, ten behouve van eenen andere, te onderneemen,<lb/> niet seer gereed weesen, maar in teegendeel dat versouk<lb/> magschien weigeren, immers dat ligtelik versuimen, en-<lb/> de niet koomen, souden. Gelijk het ook geschiede. Ende<lb/> die Leewerik daar naa weeder gekoomen weesende, het<lb/> selven dus ook bevond. Dog ten tweeden maalen uitge-<lb/> vloogen ende weeder-gekeerd zijnde, so seiden hem de Ion-<lb/> gen, gehoord te hebben, dat de Eigenaar des Akkers sijnen<lb/> Soone hadde gebooden, te versouken alle sijne Buuren ende<lb/> Magen, ten einde die het Kooren souden komen af-snijden,<lb/> ende dat het dien volgende tijd was om te vervliegen.<lb/> Waar op de Oude Leewerik antwoorde, daar is nog iets<lb/> dat ons dringd ontijdig te vertrekken, ende eer gy ter<lb/> deegen vlugge zijt. Waarom het best is, dat uwe Vee-<lb/> deren nog wat groeijen, eer gy u op der vlugt begeeft,<lb/> om op uwe eigene teere Vleugelen te drijven; alsoo die<lb/> Buuren ende Maagen het werkn niet soo haast, als gy<lb/> meend, sullen aanvangen. Eindelik die Leewerik ten<lb/> derden maalen uitgevloogen, ende weeder-gekeerd zijn-<lb/> de, soo seiden die Ionge Leeweriken, te hebben gehoord,<lb/> dat de Eigenaar tot sijnen Soone seide, ik sie dat de Be-<lb/> kenden, Buuren, ende ook onse Magen, onsen Oogst ver-<lb/> suimen, ende dat wy onsen eigen arbeid sullen moeten aan-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac209"/> wenden, ofte dat ons Kooren niet, ofte immers niet tij-<lb/> delik, in onser Schuure soude koomen. Sulks ik selfs<lb/> mijn werk beginnen sal. Sie daar zijn twee Seissens, mor-<lb/> gen vroug sal ik u opwekken, om ons werk te beginnen.<lb/> 't Welk de Oude Leewerik soo haast niet verstaan had, of<lb/> hy gebood de Iongen nevens hem te vervliegen, ende ge-<lb/> schiede het selven ten behoude van beiden. Alsoo de<lb/> oude Boer ende sijn Soon niet versuimden, des anderen<lb/> daags met den opgange der Sonne, het Kooren des dik<lb/> gemelden Akkers af te maajen, ende haar leedig Nest te<lb/> vinden.<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> Met den Ouden LEEWERIK hebben de Ouden<lb/> verstaan, oude deugdsaame menschen, ofte Ouders.<lb/> Met de jonge LEEWERIKKEN, jonge Menschen, die<lb/> nog niet bequaam zijn haar selven te bestieren, ofte<lb/> Kinderen. Alle de andere woorden werden verstaan<lb/> in den eigendlijken sinne.<lb/> Oovermits alle Menschen soo ellendiglik ter Weereld koomen,<lb/> dat, in gevalle sy gebooren weesende, niet aanstonds seer<lb/> sorgvuldiglik bewonden ende opgequeekt wierden, sy ook daa-<lb/> delik souden sterven; Ende dat sy daar naa beginnende te spree-<lb/> ken ende te loopen als Kinderen, geene bequaamheeden hebben,<lb/> om haar lighaam te bestieren: als ook oovermits waarhaftig is, dat<lb/> sy daar naa ook door de kleinte van opgemelden lighaame, door<lb/> de groote driften van haar bloed, ende al te vogtige herssenen,<lb/> als ook insonderheid, oovermits sy van alle ervaarendheid ontbloot<lb/> zijnde, geen goed oordeel konnen geeven van het gunt omtrend<lb/> haare voorvallende Saaken gedaan ofte gelaaten behoord te wer-<lb/> den: Soo is noodsaakelik, dat de jonge Menschen doorde Ouden soo<lb/> langen tijd besorgd werden, tot dat haar lighaam ende oordeel groo-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac210"/> ter geworden is;ende dat sy middeler wijle hebben geleerd door<lb/> eigene ervaarendheid, haare reeden-kaavelingen ende daar op vol-<lb/> gende goede oordeelen, met daar toe dienende voorbeelden, te<lb/> konnen bevestigen, soodaanig, dat sy van der seekerheid van dien<lb/> alles sins oovertuigd werdende, haar geheel leeven ende alle de<lb/> uitwerkingen van dien, daar naar derven rigten. Ende zijn der-<lb/> halven de Jonge Menschen gelukkig ofte ongelukkig, naar dat sy<lb/> besorgd werden van Oude Menschen die Een ende het selfde Interest<lb/> in het wel-ofte quaalik-vaaren van haare Kinderen ofte Weesen heb-<lb/> ben, ende van der selven Interest haar eigen Interest maaken, ofte<lb/> niet. Ende oovermits de Ouders niet wel een Interest, dat teegen het<lb/> welvaaren hunner Kinderen strijd, konnen hebben; Soo zijn de<lb/> selve Kinderen in soo eenen stande gelukkig, besorgd ende be-<lb/> stierd te werden, niet door Vreemden, alsoo dat veeltijds quaad-<lb/> willige ofte onbequaame Menschen zijn, die haar eigen Voor-<lb/> deel uit de schaade der Jongen, ende der Weesen souken,<lb/> ofte der selven wel-vaaren versuimen: Maar door haare ei-<lb/> gene Ouderen, die de gebrekkelikheid der saaken deeses wee-<lb/> relds, ende daar en boven ook de agteloosheid ofte quaad-willig-<lb/> heid der Menschen, wanneer sy omtrend anderer Menschen saa-<lb/> ken beesig zijn, hebben geleerd kennen; ende die derhalven<lb/> door haare kinderen gebaat ofte beschaadigd staan te werden. En-<lb/> de schoon genoomen de Ouders het waare Interest hunner Kinderen<lb/> niet wel mogten begrijpen, soo is des niet te min waarhaaftig, dat<lb/> sy de selven invallen gevalle niet trowloselik ofte flaawelik besorgen,<lb/> alleen uit krafte van eenige gedaane Beloften, maar wel; dat sy de<lb/> selve Kinderen ende alle haare Saaken, gaade slaan ende besorgen<lb/> met den selven yvere, waar meede sy haare eigene Saaken besorgen,<lb/> ende die aan geenen anderen Menschen beveelen willen.<lb/> Ende wat een onderscheid daar zy, of Menschen voor haar eigen<lb/> selfs, ofte voor eenen andere arbeiden ende sorgen, sien wy in alle<lb/> Menschelijke voorvallen; naamentlik, dat sy, niet teegenstaande<lb/> alle voorgaande beding van loon werk te sullen ontfangen, niet<lb/> de helft soo veel werks doen, wanneer sy voor eenen anderen, dan<lb/> wanneer sy voor haar eigen selfs arbeiden, ende dat sy daar en bo-<lb/> ven, schoon het haar daageliks werk is, ende sy die Saaken gron-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac211"/> delik behoorden te verstaan, geene kennisse onse sorge schijnen te<lb/> hebben, van het gunt gedaan ofte niet gedaan, wel ofte quaalik<lb/> gedaan behoorde te werden; maar bevind men, dat sy alles sins doen<lb/> het gunt in soodaanige gevallen voor haar gemakkelikst ende pro-<lb/> fijtelikst is. Ende gaat dit soo verre, dat wy daageliks bevinden,<lb/> dat eene gulden Eigen-baat, by die arbeidenden Menschen genoug<lb/> is, om te makken, dat sy den geenen, die haar gebruikt, honderd<lb/> gulden schaade aandoen, wanneer sy niet te vreesen hebben, daar<lb/> over gestraft te sullen werden. De Krast van dit Eigen-Interest, sien wy<lb/> ook, als eenig Amt ofte Voordeel van eenige Leeden eener Vergaderinge<lb/> versogt werd, namelik, dat nieman de quaade Man wil zijn, maar<lb/> dat yder lid van dien, goede woorden geeft, ende beloften doed<lb/> van gonstiglik te sullen stemmen, wanneer sy in het bysonder<lb/> aangesprooken werden, ende dat sy nogtans in der Vergaaderinge<lb/> weesende, selfs om het allerminste eigen bedenkelik voordeel, haarer<lb/> voorgaande beloften niet meer indagtig zijn, maar voor haar eigen<lb/> selfs stemmen: ofte wel, om eenen andere te behaagen, aan wiens<lb/> gonsten sy sig meer laaten geleegen weesen. Sulks uit allen het<lb/> voorgemelden blijkt, dat men sig op geene hulpe van anderen ver-<lb/> laaten moet, als men ietwes seekerlik gedaan wil hebben, maar dat<lb/> men selfs de hand aan werk slaan moet. Ende dat de Jongen de Ouden,<lb/> die een Interest met haar hebben, geloovende, ende sig daar naar ge-<lb/> dragende, seekerlik beiden behouden werden. Ende eindelik volgd<lb/> uit deese gronden, dat het waarelik de beste Regeeringe is, daar de Re-<lb/> genten ende de meeste Ingeseetenen, haar Eigen-Interest ende Wel-<lb/> vaaren niet vinden konnen, dan met het Welvaaren van het Gemeen,<lb/> te besorgen, ende daar in haar eigen te souken, ende ook waarelik<lb/> te vinden. Ende dat het daar en teegen de aller-onvolmaakste ende<lb/> ondeugenste Regeeringe is, daar de Regenten voor haar eigen wel-<lb/> vaaren niet willende ofte niet moogende sorgen, alle die sorge aan<lb/> eenen anderen Mensche beveelen, also die Eene Mensch, waarelik<lb/> ten besten gaande, niet dan voor sijn eigen selfs sorgen, ende ten<lb/> quaadsten gaande, sig selfs, ende alle sijne Onderdaanen, verwaare-<lb/> loosen ende verderven sal. Weshalven ook soodaanige Regenten ee-<lb/> ner Vrye Republike, welke geraaden mogten vinden, sig in het geheel<lb/> te ontblooten van der Souverainiteit oover de selve, om die ook in<lb/> het geheel ten nadeele der Weesen, oover welke sy door Goode ge-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac212"/> steld zijn, aan eenen Mensche, ende alle des selfs Afkoomelingen, in der<lb/> eewigheid, het zy die Wijs, Mal, Gek ofte Dol mogten weesen, op<lb/> te draagen, niet alleen ten uitersten onregtvaardig ende wreed teegen<lb/> alle haare Naakoomelingen zijn: maar ook door alleen toonen,<lb/> dat sy in deesen van alle goede reeden, ende sinnen soodaanig be-<lb/> roofd zijn, dagt alle het gunt van sodanige sinnelose Menschen deesen<lb/> aangaande, gedaan souden mogen werden, volgens Regten, nul ende<lb/> van geener waarde is. Ende schoon genoomen sy naar Regten sou-<lb/> den mogen werden gesegt haarer sinnen meester te zijn, soo sou-<lb/> de daar uit volgen, dat sy haar selven wel, maar geenen anderen<lb/> sonder voorgaande last, ende geensins haare Weesen ofte Naakoo-<lb/> melingen, wiens regt sy wel vermeerderen maar niet verminderen<lb/> moogen, tot naarkoominge van dien, konnen verbinden.<lb/> Ende op dat de Regenten der Vrye Republiken, sig in deesen aan het<lb/> gunt voor deesen gebeurd is, fast souden moogen spiegelen, soo<lb/> sullen wy eenige Voorbeelden der Landen moogen spiegelen, soo<lb/> sullen wy eenige Mensche als Koning geregeerd werden, aan haalen.<lb/> Wanneer in Vrankrijk seederd den Jaare 710. van onses Heeren<lb/> Jesus Christus geboorte tot den Jaare 741. vier Koningen naar een,<lb/> malkanderen volgende, in steede van de Onderdaanen sorgvul-<lb/> diglik selfs te regeeren, nietwes anders hadden gedaan dan als<lb/> Dwaase ende half Gekke Menschen, haare Wellusten in alles te<lb/> versaaden, ende middeler-wijle het Rhijk* door haaren Hofmee-<lb/> ster, Karel Martel, te doen bestieren, die naa veele oorloogen uit-<lb/> gevoerd te hebben, sijnen Soon Pepin tot sijn Amt-volger naaliet,<lb/> welke met goed vinden der Staaten van Vrankrijk, ende toestem-<lb/> minge des Paus van Roomen, den Koning Childerik de derde dier naa-<lb/> me, af-sette, deede scheeren als een Monnik, ende in een Kloo-<lb/> ster stak: omtrend den Jaare 750. Waar naa, als in den Jaare<lb/> 892. Kaarel de simple, uit krafte sijner geboorte, in der Regeerin-<lb/> ge gevolgd was, soo ontstonden, uit des selfs onbequaamheeden,<lb/> veele binnen-landse oorloogen, waar in Karel eindelik in den Jaa-<lb/> re 923. gevangen wierd, ende bleef; tot dat hy in den Jaare 929.<lb/> stierf. Als wanneer des selfs Soon Ludowijk de Vierde, door de Staa-<lb/> ten des Rhijks uit Engeland, daar sijne Moeder met hem gevlugt<lb/> was, ter Regeeringe geroepen wierd, welke, als meede naa hem<lb/> <pb n="embstma_add132_fac213"/> sijn Soon Lotharius, seer mein-eidig, trowloos ende hard regeer-<lb/> de, ende ook Lotharius Soon Ludowijk de Vijfde, omtrend tien Jaa-<lb/> ren in alle leedigheid ende wellusten doorgebragt hebbende, sonder<lb/> kinderen quam te sterven: ende aan Huge Capet, sijnen Hofmeestere<lb/> schoone geleegendheid verschafte, om in den Jaare 987. met goed-<lb/> vinden der Staaten, in weeder-wille des naasten Erfgenaams, sig Ko-<lb/> ning van Vrankrijk te maaken, naa day hy door swaare oorloogen<lb/> den naasten Erfgenaam Karel Hertog van Lottringen, in eenen Veld-<lb/> slaage ooverwonnen ende gevangen had.* Waar naa eenen tijd<lb/> lang de Regeering den Onderdaanen meer rust toeliet. Maar in<lb/> den Jaare 1380. ende vervolgens, quam den Ingeseetenen van Vrank-<lb/> rijk eerst oover een gebrek in der een-hoofdige Regeeringe, naa-<lb/> mentli, dat Karel de selfde te sijner twaalfde jaare Koning wierd, ende<lb/> eerst door Voogden, ende daar na eigener auctoriteit in sijne jonge Jaaren,<lb/> naar jongen ende quaden raad regeerende, sijne Onderdanen so door<lb/> binnen-landse oproeren, als door buiten-landse oorloogen, seer el-<lb/> lendig maakte. Maar waaren dit alle niet als seer gemeene Voor-<lb/> vallen den Eenhoofdige Regeeeringe, ende oopbaarde sig in den Jaa-<lb/> re 1393. een het aller-swaarsten. Namentlik dese Karel in den Maan-<lb/> de van Juli met sijnen Heire trekkende om Bretagnen te beoorloo-<lb/> gen, wier bevonden op eenen middage, door de hitte der Son-<lb/> ne, soo seer bevangen te zijn; dat hy als een raasend Mensc, met<lb/> eenen getoogen Swaarde, sijne Pagien tragte te grieven. Ende<lb/> oovermits hy, geduurende nog 22. Jaaren sijnes leevens, somtijds<lb/> by sijne sinnen, ende ook somtijds raasende was; Soo moesten ge-<lb/> duurende sijne rasernie, Voogden regeeren, tot welke door de Staaten<lb/> des Rhijks wierden gesteld sijne twee Oomen, de Hertog van Orleans<lb/> ende de Hertog van Bourgondien, die in soodaanige twist het Rhijk<lb/> regeerden, dat sy bedien, de een voor ende de ander naa, ver-<lb/> moord wierden. Naamentlik Jan van Bourgondien deede Lodewijk<lb/> van Orleans, soo als hy des avonds te Parijs over straaten reed, door<lb/> sijne daar toe gestelde Dienaars dooden, in den Jaare 1407. gelijk<lb/> meede daar naa Karel Dauphijn van Vrankrijk in den Jaare 1419. ge-<lb/> duurende sijns Vaaders dolligheid, het bewind des Rhijks den<lb/> Voofden onttrokken hebbende, onder eene geveinsde byeen-<lb/> komste ter versoeninge, den Hertog Jan van Bourgondien, uit wee-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac214"/> der-wraak deede dooden. Geduurende alle welke Jaaren, als ook<lb/> daar naa tot den Jaare 1436. de arme Onderdanen van Vrankrijk, door<lb/> die binnen-landse oorloogen end oproeren, als ook door de En-<lb/> gelsen, die ten hulpe des Hertogen van Bourgondien in Vrankrijk geroe-<lb/> pen wierden, ende onder den naame van dat haar Koning de wet-<lb/> tige Erfgenaam des Rhijks was, het grootste deel van Vrankrijk<lb/> bematigden, ende Henrik Koning van Engeland in den Jaare 1422.<lb/> te Parijs tot Koning van Vrankrijk gekroond wierd, ende de arme<lb/> Onderdaanen tot omtrend den Jaare 1454. uit deesen hoofde ten<lb/> weedersijden schrikkelik gedrukt ende geplonderd zijn geworden,<lb/> als ook het geheele platte Land middeler wijle verwoest wierd.<lb/> Ende oovermits wy in onse Landen by naast een soodaanig geval<lb/> van Dolligheid in onsen Hertooge Willem van Beyeren, Graave van<lb/> Holland, seederd den Jaare 1357. ofte den beginne des Jaars 1358.<lb/> tot den Jaare 1389. onderworpen zijn geweest, ende daar uit geene<lb/> bysondere onderdrukking ende plondering der gemeene Ingesee-<lb/> tenen ende verwoesting onser platte Landen is gevolgd, soo moet<lb/> sulks toegeschreeven werden, aan de Voorsorge ende Souveraine Magt<lb/> der Staaten deeser Landen, dien Dollen Graave gevangen neemen-<lb/> de, ende houdende, als ook in weeder-wille sijns Wijfs, die als Moe-<lb/> der oover haar Kind, voorwende geregtigd te weesen, als Voog-<lb/> desse oover deese Landenm het Graavelik Amt te bedienen, alsoo<lb/> de edelen ende Steeden uit haare souveraine magt, niet den oudsten<lb/> Ludowijk den Romein, maar onses Graaven jongeren Broeder, als<lb/> de bequaamste zijnde, tot Ruwaard oover deese Landen aan-naa-<lb/> men: Soo sien wy ook in deesen gevalle, hoe gelukkig de Inge-<lb/> seetenen eener Republijke zijn, alwaar de Vrye Regenten haar<lb/> ende hunner Ingeseetenen wel-vaaren selfs besorgen, ende geenen<lb/> anderen beveelen, het gunt sy willen, dat seekerlik gedaan zy.<lb/> </p> |
| SEQ |
38 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic207.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem037 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
reserved for caption |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Als oude Honden staan te bassen, Soo is het tijd om op te passen. |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac207 |
| MOTTO_LA |
<p>Adde quod est senibus rerum prudentia major.</p> |
| TYPE |
emblem pictura |
| PREV |
embstma_add132_emblem035 |
| MOTTO_NL |
<p>Als oude Honden staan te bassen,<lb/> Soo is het tijd om op te passen.</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem036 |
| MOTTO_LA_NORM |
Adde quod est senibus rerum prudentia major |