TEXT_EXPL_XML

<p>37. Een Akster, Voogelaar ende Voogelen.<lb/> EEn Akster, die uit der aard eenen scheeven gang had,<lb/> ende naar het begeeren eenes Voogelaars, haares Mee-<lb/> sters, sig somtijds wit ende somtijds swart wist te ver-<lb/> toonen, ende die, met den selven in alles naar te klap-<lb/> pen, seer vaardig de Duitse ende ook de Francoise Taa-<lb/> le geleerd had, wierd van dien Voogelaare seer begon-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac216"/> stigd, als oook daarom van hem leui ende lekkerlik ge-<lb/> voed. Dog alsoo de Akster vermerkte des selfs Meesters<lb/> Gierigheid soo groot te zijn, dat hy sijn werk maakte van<lb/> onnoosele Voogelen te vangen, ende die als dan ten dier-<lb/> sten aan andere Menschen te verkoopen, naar dat die<lb/> gevangene Voogelen, veel ende smaakelik Vlees door de<lb/> Keukens hadden, ofte dat sy by gebreeke van dien, aan-<lb/> genaam singen konden; soo vermoede ook de Akster, dat<lb/> sy seer haast deeses Voogelaars gonst soude verliesen, ende<lb/> hy haar niet lange ydel, onnut, ende lekker, soude wil-<lb/> len voeden, ten waare sy sijne Gierigheid door andere<lb/> middelen wiste te voeden. Weshalven sy tot eenen seer<lb/> grooten hoop onnoosele Voogelen vloog, ende sig als een<lb/> witte Voogel draagende, seer minnelik Duits ende Fran-<lb/> cois sprak: Ende als de Voogels daar oover seer verwon-<lb/> derd waaren, seide sy haar: Susters, deese Taalen heeft<lb/> mijn Heer my ser gonstiglik geleerd, ende voed my<lb/> daar en booven lekkerlik in aller leedigheid; Sulks ik<lb/> groote reeden hebbe, om te gelooven, dat indien gy mij-<lb/> nen Heere weet te believen, u ook het selfden geluk ge-<lb/> beuren sal. Waarom die vreemde Voogels den Akster<lb/> ernstig baaden, haaren Heere te gaan spreeken, ende te<lb/> versouken, dat hy haarer alleen ook beide die Taalen wil-<lb/> de leeren, met toesegginge, dat sy daar toe haare uiter-<lb/> ste naarstigheid doen souden. Dit door den Akster blij-<lb/> delik aangenoomen zijnde, vervloog sy, ende seide dee-<lb/> sen Voogelaare, dat hy sijne Netten bereide ende sprei-<lb/> de, alsoo sy met veele onweetende Voogelen soude koo-<lb/> men aanvliegen in sijne Netten: Het welk die Voogelaar<lb/> aanstonds doende, soo vloog de Akster weeder tot die<lb/> Voogelen, ende seide haar: Mijne lieve Susters, vliege<lb/> <pb n="embstma_add132_fac217"/> met my, want ik mijnen Heere soo gesrpooken hebbe,<lb/> dat hy u vreedelik ende seer blijdelik ontfangen ende ont-<lb/> haalen, als ook die twee seer begeerde Taalen u seer<lb/> haast leeren sal. Sulks de Voogels haastig daar naa toe<lb/> vliegende, alle in sijne Netten needer daalden, aldaar<lb/> gevangen, ende door den Vongelaare ten hoogsten, des doe-<lb/> nelik, verkoft wierden. Sulks die Akster den Voogelaa-<lb/> re niet alleen aangenaam bleef, maar ook van hem, op<lb/> hoope dat sy hier naa hem nog andere diergelijke beuit<lb/> soude aanbrengen, meer ende meer begronstigd wierd.<lb/> </p>

<p>Uitlegging der Woorden<lb/> De Ouden hebben hier verstaan met den AKSTER,<lb/> een Hooveling, die wit ende swart, kout en-<lb/> de heet, met eener Penne schrijven, ende uit ee-<lb/> nen Monde blaasen kan.<lb/> Met den VOOGELAAR, eenen Tyran, die sig met<lb/> verbeurt-maakinge der Goederen sijner Onderdaanen<lb/> verrijkt.<lb/> Met de andere VOOGELEN, onnoosele menschem,<lb/> die Hoovelingen willen zijn, ende aldaar gedood ofte<lb/> kaal geplukt werden.<lb/> Alsoo een Dienaar eigendlik sijnen Heere diend, wanneer hy<lb/> niet sijne eigene sinnen ende voordeel betragt ofte uitwerkt,<lb/> maar sig alles sins vougd, keerd, ende wend, naar sijnes Heeren<lb/> believen, sonder op ietwes anders ter weereld agt te slaan: ende<lb/> <pb n="embstma_add132_fac218"/> alsoo des niet te min Eigen-Interest is het voornaamste, indien niet ee-<lb/> nigste oog-wit aller menschelike uitwerkingen: So is ook kennelik,<lb/> dat nieman sig in eenes Heeren dienst verbind, dan met die ge-<lb/> dagten, van den Heere aangenaame diensten gedaan hebbende,<lb/> daar door des selven Gonst te bekoomen ofte Loon te krijgen, en-<lb/> de daar door sijnen arbeid te versoeten. Ende is het derhalven<lb/> eenen die gesind is eenen Heere te dienen, seer noodig, wel<lb/> te ooverleggen, welke geneegendheeden in dien Heere de oo-<lb/> verhand hebben, ende voor welke Saaken hy allermeest schrikt;<lb/> ende eindelik moet die Mensch ook sig selven wel ondersouken,<lb/> of hy, als sijn Dienaar, sig daar naar niet alleen sal konnen en-<lb/> de willen vougen; maar ook, of hy de selve geneegendheeden<lb/> sal konnen ende willen opwekken, ende vermeerderen, naade-<lb/> maal sonder het selven nog Heer nog Dienaar, het waare oogwit van<lb/> dien vrywilligen dienst ofte slaavernie, staan te bereiken.<lb/> Dit is de gemeene menschelikheid, welke allermeest in agtin-<lb/> ge moet werden genoomen, by die geenen, welke geneegen<lb/> werden, in den Hoove eenes Konings ofte Vorsten te dienen; naa-<lb/> mentlik sy moeten altijds indagtig zijn, dat hy seekerlik sijn ei-<lb/> gene Wellusten betragten sal, ofte sijne eigene Glorie ende Groot-<lb/> heid sal souken te vermeeren, ende dat geen der Hoovelingen dan<lb/> te sijner eigene schaade, den Koning ofte Vorst sal tragten wijser<lb/> ende beeter te maaken, dan hy is; om dat een wijse ende verstan-<lb/> dige Koninge ofte Vorst, de scheeve gangen der Hoovelingen,<lb/> die sy geduuriglik, ook ten nadeele der gemeene Ingeseetenen, en-<lb/> de veeltijds ook en naadeele haares Heeren, tragten te gaan, sou-<lb/> de beletten ofte merken, ende straffen. Maar is in teegendeel<lb/> seer waarhaftig, dat sy alle ten haaren eigenen Voordeele; den Ko-<lb/> ning ofte Vorst in sijne Geneegentheeden ofte Wellusten, ende booven<lb/> allen, in de aller-duisterste onweetenheid, sullen tragten te voe-<lb/> den, ende te houden. Sulks het Hof, gemeenelik vervuld zijnde<lb/> met Hoovelingen, die den Heere in sijne Vermaaken, Wellusten,<lb/> ende Geneegendheeden, maar niet in de kennissen der Saaken deeses<lb/> weerelds gelijk zijn; het niet te verwagten staat, dat een Mensch,<lb/> die standvastelik sijne eigene Deugdsaame wijse van leeven be-<lb/> tragt, ende sijnen Heere ten besten raaden wil, ten Hoove in dien-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac219"/> ste ende aansiene soude konnen blijven: maar is wel in teegen-<lb/> deele te verwagten, dat eener, die het eeven eens schijnd te<lb/> weesen of hy een schelms-ofte een eerlik stuk uitgeregt heeft, of<lb/> hy loogen ofte waarheid spreekt, of hy loofelik ende onder schijn<lb/> van vriendschap, onnoosele Menschen verraad, dan of hy met<lb/> der waarheid, booswigten oover haare misdaaden beschuldigd,<lb/> hy daar door in des Heeren gonste raaken ende blijven sal, mits<lb/> die stukken met sijnes Heeren geneegendheeden oover een koo-<lb/> men. Indien derhalven iemand sig dus als een regt Hooveling gesteld<lb/> vind, ende weegens sijne Geboorte ofte aansienelijke Amten, als<lb/> ook weegens sijne behougtigheid ende lefde om sig selfs. sijnen<lb/> Vrienden, ende den Vaaderlande goed te doen, sig in diensten van<lb/> Koningen ofte Vorsten wil begeeven, soo moet die als dan seer naar-<lb/> stig opmerken, of sijn Heer seer Eer-ofte Geld-gierig is, of hy<lb/> stip van alle sijne Onderdaanen gehoorsaamd wil werden, of hy alle<lb/> sijne grootheid bowd op de kraft ende getrowheid sijner Krijgs-<lb/> luiden. Of hy alles sins tragt, sijne ende welke wellusten te versaa-<lb/> digen, sonder sig oover de Regeeringe te willen bekommeren. Of<lb/> hy tot Speelen, Jaagen, Dansen, ofte tot onmaatig Drinken, ende<lb/> onwettig Byslaapen geneegen is, of hy stout, dan of hy vrees-<lb/> agtig van aard is, &amp;c. Want dit ontdekt hebbende, sal het den<lb/> Hoovelingen ligt zijn des Heeren gonst te verkrijgen, ende<lb/> te behouden, met hem daar in alles sins voor te gaan, dog soo<lb/> dat sy hem in alle het selven haaren Meester erkennen, met hem<lb/> booven anderen ende haar eigen selfs, te looven ende te stijven<lb/> Gelijk wy in deeser FABULE sien, dat een Akster alle dee-<lb/> se Hoofse bequaamheeden hebbende, sig by den Voogelaare<lb/> weet aangenaam te maaken, met hem in sijne Gierigheid te voe-<lb/> den, ende door de selve Konst ook in grootere agtinge te blij-<lb/> ven. Derhalven de eigendlijke sin deeser onder FABULE is,<lb/> ons te leeren, dat Dienaaren, ende insonderheid Hoovelingen, gee-<lb/> ne eigene wijse van leeven hebben moogen, om dat sy die alles<lb/> sins naar de geneegendheeden hunnes Heeren vougen moe-<lb/> ten, ende dat sy, om de gonste hunnes Heeren te bekoomen<lb/> ende te behouden, gewoon zijn, op des selfs begeeren ende<lb/> geneegendheid, als naar die vald, alle Vriendschap, Deugd, ende<lb/> <pb n="embstma_add132_fac220"/> Heiligheid, aan iemanne te bewijsen, te veinsen ende te schen-<lb/> den. Jaa dat sy wel meest onder den Schijn van Vriendschap,<lb/> haare Verraaderien pleegen, ende sig daar door haaren Heere<lb/> aangenaam maaken.*<lb/> Sie hier van Traitté de la Cour. de Monsieur de Refuge, ende<lb/> Ant. de Guevarra, Menosprecio de Corte. y despertador<lb/> de Cortesanos.<lb/> </p>

SEQ

39

PARENT

embstma_add132

HIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

URL_IMAGE

embstma_add132_pic215.jpg

TIPE

emblempictura

NEXT

embstma_add132_emblem038

IIHIM

FABLES

GUL

MNE

EMBLEMS

ILL_BOOK

CAPTION_EN

reserved for caption

SOURCE_FILE

embstma_add132.xml

MOTTO_NL_NORM

Wiens Brood men eet, Wiens Woord men spreekt

LINK_FACSIMILE

embstma_add132_fac215

MOTTO_LA

<p>Oratio Amici simplex est, fallere Volentis<lb/> fucatum habet nitorem.</p>

TYPE

emblem pictura

PREV

embstma_add132_emblem036

MOTTO_NL

<p>Wiens Brood men eet,<lb/> Wiens Woord men spreekt.</p>

ID

embstma_add132_emblem037

MOTTO_LA_NORM

Oratio Amici simplex est, fallere Volentis fucatum habet nitorem