$ TEXT_EXPL_XML
39. DE Kikvors, die, uit eene grooe onweetenheid, sig liet
voorstaan, een seer schoon Dier te weesen, sag op
eenen tijdje in der Sloote, daar hy sig onthiel, eene Kreeft
swemmen, die uit eene sonderlinge kleine agtinge, die
de Vors van andere Dieren in het gemeen had, hem swart
ende leelik met uitpuilende oogen voorkoomende, hem
seer trotselik deede vraagen, Wie deese leelijke Beeste so
stout kende, dat sy sijn klaar water durfde bemorssen, ende
hem dat waater ook eenigsins benaawen, daar hy magtig
dat hy haar seer ligtelik konde uit den geheelen Watere ver-
drijven; 't welk hy soo haast niet gesegt had, of hy sprong
met eevelen moede naar der Kreefte, terwijle de selve Vors
nog al eeven breed roemde, van sijne magt ten Waatere
ende ten Lande, ende vougde de Vors daar by, dat hy haar
die onbeschaamheid, van hem te derven onder den oo-
gen koomen, wel haast soude verleeren, waar op de
Kreeft, volgens haare natuure, deinsende ende agterwaarts
gaande, niet anders antwoorde, als Susterlik ende in al-
ler Vriendschappe, met den Kikvorssen te willen omgaan,
sonder hem ende eenigen van den sijnen, of den waatere,
eenigsins te sullen naa-deelig zijn; Maar de dom driesti-
ge Vors dit agterwaarts gaan voor een teiken van vervaard-
heid ende vreese der Kreeste, door sijn luid roepen ende
blassen veroorsaakt, opneemende; begon nog meer te
dreigen, seggende, Loop niet te rug, gy blood ende lee-
lik Dier, gy sult dog mijner dapperheid niet konnen ont-
vlieden, maar sult terstond van my gedood werden, en-
de sal ik uw vlees den Vissen te verslinden geeven. Dit
gesegt hebbende, sprong hy op haar lijf; Waarom de
Kreeft, genoodsaakt zijnde sig te verweeren, sig omkee-
rende, den kikvorsse met haare selle Schaaren, soo eene
harde ende scherpe neep gaf, dat sy hem deede bersten en-
de hem alsoo doode. Stervende de Vors aldus eene schan-
delijke dood, die hy door sijner boosheid ende grooter
onweetenheid op sijnen halfe gehaald had.
Uitlegging der Woorden.
Met een KIKVORS hebben de Ouden verstaan,
een waarelik seer gering ende efter seer haastig,
Mensch.
Met eene Kreeft, een seer gering, stil ende neederig,
dog een wel bedagt ende Vreede-lievend Mensch.
ALle Menschen, die met goeder aandagt het weesen der Menschen
overdenken, bemerken, da sy alle op eene wijse geteeld, gebooren,
ende met eenerley Spijse opgevoed werden, ende in haare kindsheid
met eeven weinige kennisse, oordeel ende geheugenisse begaafd zijn; als
meede, dat sy, geduurende haar geheel leeven, aan de selve on-
maatige passien ofte driften der Siele ofte des Bloeds, aan de selve be-
houften ende gebreeken des lighaams, ende eindelik aan eene ende
de selve dood onderworpen zijn; jaa selfs, dat sy alle de allerminste
soo wel als de allermeeste ende hoogste van eenen ende den selven
Goode, haren oorsprong hebbende, ook alle van des selfs goed-
heeden, na dit broos, kort ende onvolmaakt, een eewig-duurend saa-
lig leeven vermoogen te hoopen, ende ook besitten konnen.
Sulks alle Menschen uit der aart gelijke Borgers deeses weerelds,
ofte onderling Broeders, ende malkanderen gelijk zijnde, ook bevin-
den, dat geduurende opgemeld kort leeven der Menschen, yder
van dien sig selfs aangemerkt zijnde, uit sig selfs eenen anderen
ook eeven veel goeds ende quaads toe brengen kan: ofte dat in allen
gevalle ons geen soo gering Mensch voorkomt, die niet by tij-
den ende wijlen ons of het aller grootste Goed ofte het aller grootste
Quaad soude konnen doen. Naamelik, met ons van der dood te
bevrijden, ofte met ons van den Leeven te berooven. Ende oo-
vermits alle Menschen daar beneevens haar eigen selfs eeven lief
hebben, soo volgd uit alle het voorschreeven, dat alle uitwerkin-
gen der Menschen, het zy die van onsen Lighaame ofte van on-
ser Siele, ofte van beiden voort komen, geen ander oogwit behoor-
den te hebben, dat te bekomen het gunt haar goed, ende te vermij-
den, het gunt haar quaad doen sal: het welk uitwerken der Menschen
efter alsoo niet bevonden werd, om dat sy, of wel door de verschei-
denheid der volgende kennisse, herst-togten, opvoedinge, ende veler ande-
gaaven, niet eeven seer ofte even wel tot haar eigen behoudm
ofte vermeerderinge ende verbeeteringe haares Stands, gebruik-
ken willen: sulks die verscheidendheid van Wille wijders veroor-
saakt Wijser ende Deugdsaamer, ofte Dwaaser ende Ondeugdsaamer Men-
schen. Want Wijse Menschen, door een rijp ooverleg des waaren
menschelijken weesens, neederig ende seedig van haar selven, en-
de ook van andere Menschen oordeelende; meenen het Goeden
ende het Quaaden, soo veele sulks den Menschen doenelik is, al-
lerseekerst te sullen verkrijgen ende vermijden, door de Rust ende
Vreede met alle Menschen te betragten, also yder van dien seekerlik
haar altijds veel goed ofte veel quaads doen kan.Ende daar en
booven zijn de wijse Menschen geneegen, vertrouwd Vriendschap-
pen te maaken met Menschen die haar allermeest gelijken, ende
met welke sy allerliefst ommegaan souden. On-wijsen Menschen
daar en teegen, de algemeene menschelijke onvolmaaktheeden,
behouften ende gebreeken, met toepassinge op haar eigen selfs
niet wel ooverdenken, nogte haare eigene bysondere gebreeken,
sonder vleijen bespiegelen willende, laaten haare gedagten alleen
gaan op haare eigene bequaamheeden van kennisse, oordeel, ge-
heugenisse, sterkte haares lighaams, ETc. Sulks sy sig alles sins ver-
re booven de regte waarde schatten, ende sig selven alles sins be-
haagen: sonder die regte wardie van andere Menschen daar en
teegen in der waag-schaale te willen leggen; Sulks sy daar door
seer Laatdunkende, Heerssugtig, Luidroepende, Scheldende en-
de Baldaadig werden. Ende dien volgende werden sy door die
haar behaagelijke gedagten, ende verkeerde eigen selfs liefde,
soo seer vervuld, ende van den regten weege vervoerd, dat sy sig
laaten voorstaan, des te meer te sullen werden geagt, wanneer sy
andere Menschen veragten, ofte hun alle haare gebreeken op het
breedsten, ende magschien verre booven der waarheid, aanwij-
sen, als ook die Menschen aldus after den rugge lasteren. Ende
laaten die trotse, onweetende Menschen sig ook voorstaan, dat sy
des te meer sullen werden ontsien, als sy andere Menschen
derven tergen ende verongelijken. Sulks deese quaadwillige Men-
schen geduuriglik nieuwe onrust ende vyandschap soukende, ein-
delik aantasten soodaanige Menschen, die, siende dat sy die vyand-
dagtelik alle haare kraften versaamelen, ende die alsdan gebrui0
ken, om dusdaanigen baldaadigen Menschen, alle kraft van quaad
doen te beneemen: terwijle aan de andere sijde die onbedagte
baldaadige Menschen, teegen alle goede reedenen, meer op de
swakheeden, die sy meenden in anderen te sullen ontmoeten, als
op haare verwagtinge, by anderen meer teegenstand, ende
by sig selfs min kraften bevindende, schielik in den strijde soo
versteld worden, dat sy versuimen te gebruiken alle die kraften,
welke sy waarelik, buiten die ontsteltenisse zijnde, gebruiken
souden konnen. Alle het welken wy sien in deeser FABULE,
alwaar de stille, neederige, langsaam voort gaande ende seedige
Kreeft, in den waatere leevende, te vreeden is, dat Waater met
den Vorsse in het gemeen ende in Vriendschappe te gebruiken, dog
siende dat de Vors haar onregtvaardiglik ende met gewelde wil
ontneemen het waater, sonder welk sy niet leeven kan; soo oor-
deeld sy, dat sy den strijd niet ontgaan, ende daar in niet dan
haar leeven verliesen konnende; sig dapper behoorde te weeren:
daar in teegendeel die snel swemmene, luid roepende, haast
ende hoog springende Vors, beiden het Waater ende het Land ge-
bruiken moogende, des niet te min het Waater alleen, sonder je-
mand anders daar in te gedoogen, beheersten, ende den Kreeft
daar uit drijven ofte dooden wil: maar in den strijde soo veel tee-
genstands vind, dat hy selfs gedood werd. Ende sien wy dit niet
alleen gebeuren in den daagelijksen ommegange der Menschen,
daar die moeite maakers, ende aller kloukste Vegters soo meenig-
maale sig in dat gevaar begeeven, dat sy selfs eindelik sneevelen,
als sy sulks het minsten verwagteden, ende alsoo seer schandelik
van den Aard-boodeme weg gerukt, ter helle needer daalen. Maar
insonderheid sien wy dit in die oorlog-lievende Koningen, Vorsten,
ende Republiken, naamentlik, dat sy alle haare Nabuuren tergende,
eindelik haaren Meester vinden. Gelijk daar van ten doorlugti-
gen voorbeelde strekt de Stad Roomen, welke omtrend seeven hon-
derd jaaren naar een, allee haare Naabuuren, jaa by naast den ge-
heelen bekenden Aard-booden getergd, geplaagd, ende verwoest
hebbende; daar naa heeft moeten lijden, dat eenige haarer eige
van eenen gedurigen schrikkeliken Moordkuil der allerbraafsten Borgeren,
gemaakt hebben. Tot dat eindelik de selle west-Gotten, als ook
vervolgens de Oost Gotten, weoste Wandalen, ende wreede Hunnen,
die Stadt t'elkens innaamen, plonderden, ende soodaanig verwoe-
steden, dat daar van in die tijden het volgend Rijmken gemaakt
wierd.*
Het Hoofd des Aardrijks was het pragtig Room voor deesen:
Nu moet die selve Stadt des weerelds Aarsgat weesen.
Sulks de eigendlijke sin deeser FABULE is, dat alle Menschen
neederige gedagten van haar eigen selven te hebben, als ook de Rust,
Vreede ende Vriendschap, te souken behoorden. Ende dat de laat-
dunkende, oorlog-lievende Menschen, de vreedsaamen baldaa-
diglijk aantastende, veeltijds dar in haar verderf vinden.
*Roma caput mundi quondam jam culus babetur.
Beati pacifici quoniam filii Dei vocabuntur. Matt. Cap. 5.
TYPE emblem pictura PREV embstma_add132_emblem038 MOTTO_NLTegen een beneepen Kat, is quaad vegten.
ID embstma_add132_emblem039 MOTTO_LA_NORM Beati pacifici quoniam filii Dei vocabuntur. CHILDREN CHILDREN_SQRT 0