$ TEXT_EXPL_XML
44. De Kraai ende andere Voogelen.
EEne Kraai ooverdenkende, dat een Raaf haar seer
wel geleek, ende dat hy nogtans by de Menschen was
ge-eerd; ofte als eene heilige Waarseggende Voogel ge-
houden; ende dat sy daar en teegen seer weinig geagt
wierd, beelde sig in, dat het alleen om des Raaven kras-
naarbootsen, sy eeven hoog geagt soude werden. Waar-
om sy eenige Wandelaars siende voorby gaan, derwaarts
op eenen hoogen Boome vloog, ende seer luid krassende,
deselven in den beginne seer verbaasde, als niet weeten-
de, wat dit ongemeen vervaarelik krassen soude beduiden:
maar die Menschen daar naa, nawer op de Stemme ende
den Voogele lettende, so seide de wijste der Wandelaren, het
is niet dan het ydel geklap eener Kraaje, dat wy allesins be-
horen te veragten. Sulks de Kraai bemerkende, dat sy door
hare stemme, de naam van Kaaister, ende niet van Heilig
by den Menschen soude verkrijgen; voornam die van de
allerschoonste ende rijkste te zijn, by den Voogelen te beko-
men. Ten welken einde sy haare arme, swart-graawe
Veederen, met alleranderen Voogelen rijkste ende schoon-
ste veederen, die sy hier ende daar opraapte oft ont-
leende, bedekt, ende op haaren lijve geplakt hebbende,
meende dat sy nu de Voogelen veel ligter als voormaals de
Menschen, soude bedriegen, ende veragte sy daarom de
andere Kraajen, niet willende dan by Paawen, Papegaa-
jen, ende andere schoone Voogelen verkeeren, ende om
des te meer geagt te werden, aldaar het meeste pronken.
Maar de eenvoudige Swaluwe, die voor deesen de Kraai
seer wel, als ook haare Ouders, gekend had, by gevalle
daar voor bij vliegende, ende eenige haare eigene Veede-
ren in der Kraaje erkennende, wierd indagtig, dat sy
voormaals geroemd had, schooner als eene Swaluwe te
zijn, om dat die niet dan des Soomers, sy daar en tegen
des Soomers ende des Winters, in den selven Lande met
haare Veederen pronkte ofte bloeide, ende nam de Swa-
luw derhalven alle haare Veederen, daar de Kraai meede
pronkte, naar sig, waar door de andere Voogelen al te
heid, niet alleen het selven deeden, maar haar dus kaal
geplukt hebbende, ook uit haar geselschap dreeven. Sulks
die arme Kraai sig weeder naar die van haar eigen geslagt
begaf, welken indagtig werdende, dat sy van die Kraaje,
wanneer sy kostelik uitgedoft was, veragt waren geweest,
haar nu desgelijks veragteden, ende uit haar geselschap
dreven, dervougen, die Kraai in eensaamheid, arremoede,
ende droufheid, als sig van haar meerder, ende van haar
gelijk, ende van haar minder, veragt ende bespot siende,
ellendiglik quam te sterven.
Uitlegging der Woorden.
De Ouden hebben verstaan met KRAAJEN, loose,
klapagtige, hoovaardige ende laatdunkende Menschen.
Met geheele VEEDEREN, geveinstheid ofte goederen,
die ons niet eigen zijn.
Met SWALUWEN, eenvoudige sorgvuldige Menschen.
Met PAUWEN ende PAPEGAAJEN, Pronkers ende
Hoovelingen.
Hoewel alle Menschen daar in oover een koomen, dat sy gaar-
ne van anderen uiterlik geagt ende ge-eerd zijn, soo werden
nogtans, om sulks te verkrijgen, seer verscheidene, ja, naar dat
de aard ofte de oordeelen der Menschen verscheelen ofte teegen
een strijden, ook teegen eenstrijdige middelen gebruikt, Want
deugdsaame Menschen niet willende booven haare innerlijke waar-
de uitterlik geschat ende ge-eerd werden, leeven oopenhertig en-
de onbeveinsd, als verseekerd weesendem dat de Eeer de schaduw
der Deugd is, ende die altijds te volgen plagt, ende dat sy daar
en booven, by ontstentenisse van dien, ten spijte der quade Reg-
teren, ende onkondige oordeelaaren, sig altijds met haar goed
lende booven haare verdiensten uiterlik geagt ende ge-eerd zijn,
gebruiken ten dien einde de middelen, die haar de naaste zijn:
naamentlik de Magtigsten deeses weerelds, als Koningen, Vorsten, Etc.
doen sig door haar oover-groot ende opentlik geweld ontsien ende
eeren, maar de Deugdelose onvermogene gebruiken ten selven ein-
de Bedrog ofte Beveinstheid. Ende overmits deese onse FABUL niet
dan van hoovaardigen Beveinsden ofte bedriegeren spreekt, soo mer-
ken wy aan, dat de onvermoogensten van dien, als selfs seer laag,, en-
de van allen goederen ontbloot zijnde, gemeenelik alle Heerssugt,
Rijkdommen, kostelijke Wooningen, pragtige Kleederen, lek-
kere Spijse, ende alle het gunt ydel ofte haast vergankelik is, schij-
nen te veragten: ende dat sy daar en tegen met haare voorbedagte
sleepende woorden, ende gemaakte gebaaren ons seer ernstig
schijnen aan te raaden alle Neederigheid ende Seedigheid, neevens een
goed gewisse te bewaaren, met Goodes Gloorie te vermeerderen, sijne
Kerke wel te stigten, ende in het bysonder aller Menschen eewig-
duurend Heil ende Saaligheid wel te besorgen; daar sy selfs onderwij-
len door alle het voormelden kallen, niet anders voor hebben, dan
voor heilige Menschen geagt te werden, ende onder dien Mantel over
die Siele ende Gedagten van andere Menschen te heerssen, ende
middeler-wijle stillekens in alle wellusten ende overdaad te leven.
Ende oovermits sy de schijn-heilige beveinsde werken oopenbaarlik
voor den Menschen, ende haare eigene wellustige niet dan heimelik
doen, soo werden die heilige Beveinsden nooit dan van de allerwijste
Menschen ondekt ende verlaaten: Ende oovermits die in seer klei-
nen getaale zijn; soo mogen sy die gebreeken deeser heilige Beveins-
den, niet dan seer spaarelik, ende by haare goede bekenden, oo-
penbaaren.
Ende ten tweeden merken wy aan, dat onder die hoovaardige
ende onvermoogene Menschen, eenige soo veele Goederen ende
Rijkdommen besitten, dat die haar doen gelooven, dat sy verre be-
needen haare waardie van andere Menschen geagt ende ge-eerd
werden: sulks sym, om die meerdere agting ende Eere te bekoo-
men, eenen geheel anderen, als den schijn-Heiligen weg in slaan.
Naamentlik, niet dan van groote dingen te spreeken, pragtig in
weesen, ende eindelik selfs met geleende penningen soo lange te
brageeren, tot dat by het een ofte het ander voorval, ieman sijne
penningen weeder-eist, ende alle de andere Schuld-eisers gaan-
de werden om het selven te doen, sulks alsdan die pronkers, tot
arremoede ende schande vervallende, sig van alle Menschen ver-
laaten vinden.
Van den Schijn-heiligen vinden wy dageliks ende oover alle voor-
beelde, onder alle Godsdiensten ofte Secten, het zy der Heidenen,
Jooden, Christenen, ofte Mahometanen. Ende insonderheid by den
Priesteren, Moniken ende Leeraaren der selven, wanneer die wel be-
srpaakt zijn, namentlik, dat meest alle de selven die Heilig te zijn
vermaard werden, waarelik ende in der daad seer ondeugende
beveinsde Menschen zijn, die wel door eenige weinige wjse Men-
schen ontdekt werden, maar des niet jeegenstaande, by alle Dwa-
sen, die naaweliks de naam van Menschen te zijn, konnen draa-
gen, ende nogtans verre het meesten getal uit maaken, in voller
agtinge blijven.
Van de Grootse Pronkers, sien wy daageliks de voorbeelden, als
eenige Half geleerden de naam van seer Geleerd ende Wijs te zijn be-
geerende, ten dien einde seer groote Bouken maken, met uit seer
veele anderen, de woorden van dien ter neder te stellen; sonder
den regten sin van dien soo wel begreepen te hebben, dat sy niet
min als of sy selfs de Autheuren van dien waaren, sig waarelik die
sin ende die Saak eigen gemaakt hebben; Sulks sy, daar oover
naarder ondervraagd werdende, alles sins hare ontweetenheid en-
de schande oopenbaaren moeten.
Gelijk meede onder de selve hoovaardige Pronkerts geplaatst
moeten werden, alle Borgers die Rijker als sy waarelik zijn, gehou-
den willen werden, ende booven haar vermoogen eenen Staat
voeren, Koopmanschappen drijven, Gelden op Interessen nee-
men, ende des niet te min tot haar vermaak, altijds behoufti-
ge, ende kostelijke Hof-Steeden koopen: Sulks een ider, het
geleende weder eissende, sy seekerlik tot arremoede ende schan-
de vervallen moeten.
De eigendlike sin deeser FABULE is dien volgende, dat wy
de geveinstheid van eenen hooge ren stande, den Beveinsden spot ende
veele ongemakken veroorsaakt, immers altijds door verstandige
Menschen ondekt werd. Ten tweeden, dat de Schijn-heiligheid, niet
dan van de aldervuilste ende ondeugenste Menschen ge-ende mis-
bruikt, als ook alleen van de allerwijste Menschen altijdds ondekt
werd. Ten derden, dat alle, die sig niet op haaren eigen gronde
maar steunende op het gunt sy van anderen geleend hebben, ver-
heffen, seekerlik een seer drouvig einde plagten te hebben.
Magistratus virum arguit.
TYPE emblem pictura PREV embstma_add132_emblem043 MOTTO_NLAls Aapen hooger klimmen willen,
Dan siet men eerst haar kaale billen.