| TEXT_EXPL_XML |
<p>47. De Eezel, die een Heilig Beeld draagd,<lb/> werd ge-eerd.<lb/> SEekere Eezel wierd door eenige Opperste Priesteren<lb/> gebruikt, om een Heilig Beeld op sijnen rugge al-om<lb/> te draagen, ende om dien Eezel wat aansienlijker, als hy<lb/> uit sig selfs was, te maken, plagten sy hem ten dien ein-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac276"/> de in die heilige Ommegangen met goude ende silvere<lb/> Laakenen cierlik op te toojen. Als hy nu gewaar wierd,<lb/> dat, alwaar hy met den Beelde aanquam, de Menschen<lb/> uit eerbiedige devotie voor hem needer boogen, willen-<lb/> de het Beeld, als ook dien cierlijken blinkkenden Eezel,<lb/> in dier wijse op het hoogsten vereeren, soo meinde hy,<lb/> dat deese eere alleen aan, ende om hem selfs gedaan<lb/> wierd, ende door deese ongewoone plegtigheeden hoo-<lb/> vaardig geworden zijnde, soo liet hy sig-voorstaan, dat<lb/> alle die groote beleefdheeden, hem, om sijne groote<lb/> bequaamheeden, fraaje gestalte, ende schoonheid van<lb/> ooren, wierden aangedaan; oordeelende, dat hy by ge-<lb/> vole ook waarelik die eerer waardig was: Onderwijle<lb/> gebeurde, dat die Priesters vermerkten, dat de Eezel<lb/> altijds sijnen ouden tred wilde gaan, sonder naar hun ge-<lb/> lieven, vaardig ter regter ofte ter linker, haastiger ofte<lb/> traager, sijnen reis te willen ofte te konnen afleggen:<lb/> derhalven sy van sinnen veranderdende, dien Eezel in ha-<lb/> ren heiligen Ommegange niet meer gebruiken willen-<lb/> de, hem ten dienste eenes Eezeldrijvers oover gaaven,<lb/> alwaar hy sijne oude inbeeldinge behoudende, van sij-<lb/> ner groote waardigheid, geen pakken meer wilde draa-<lb/> gen, hoe seer sijn Drijver hem daar toe aanporde tot,<lb/> dat hy hem met rijkelijke stokslaagen dwong, ende daar<lb/> neevens toesnaauwde; Dat sijne oovergroote bottig-<lb/> ,,heid hem hadde belet te begrijpen, dat de voorgaande<lb/> ,,eerbieding alleen eigen was aan den Beelde, welk de<lb/> ,,Priesters hem te draagen hadden gegeeven, ende dat<lb/> ,,de eerbiedigheid, niet dan een gevolg van dien, ende<lb/> ,,hy, sonder dat, een gemeen plompe Eezel was ende<lb/> <pb n="embstma_add132_fac277"/> ,, bleef. Sulks hy sig weederom by de gemeene Eezelen<lb/> moetende vougen, aldaar van denselven, ende van alle<lb/> andere Dieren, booven welken hy sig hadde meenen te<lb/> verheffen, seer bespot wierd, ende desweegen van hert-<lb/> seere quam te sterven.<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> MET Opperste PRIESTERS, verstaan wy hier<lb/> alle Menschen, die oover Goddelijke of Men-<lb/> shelijke Saaken, de Opperste Magt heb-<lb/> ben.<lb/> Met een Heilig BEELD te draagen, in hooge bedie-<lb/> ninge van Staat ofte Kerk te weesen.<lb/> Met een EEZEL, een Mensch van weinig kennisse, en-<lb/> de seer gering vernust ofte oordeel.<lb/> Op welken gronde wy de volgende Reedenkaavelinge<lb/> bouwen.<lb/> ALle Menschen beminnen ende besorgen haar eigen seer, 't ge-<lb/> meen weinig, ende eenes anderen Mensche Welvaaren ende<lb/> Eere gants niet, dan voor soo veel sy meenen, dat het tot haar<lb/> eigen Welvaaren strekt. Ende siet men het selven allermeest in<lb/> Menschen, die soo hoog gesteegen, ofte gebooren zijn, dat sy<lb/> oover haar versuim ofte misdaaden in deesen begaan, ofte die sy<lb/> vervolgens nog souden konnen ende willen begaan, door geene<lb/> andere Menschen, volgens Wetten, ten Regte gesteld ende ge-<lb/> straft konnen werden.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac278"/> Gelijk deese Heilige ende Wijse seer vermaarde Priesters, welke<lb/> als Goodes Stadhouders ofte Gooden op der aarden zijnde, ende nie-<lb/> mand booven haar hebbende, Goodes Eere soo weinig agten, dat<lb/> sy, om sig selven te ontlasten van een pak dar haar betaamde, sy<lb/> gemeenelik sig niet schamen, eenen lompen Eezele, Goodes beeld<lb/> te doen draagen, waanende genoug te zijn, om haaren Godsdienst<lb/> in agtinge te houden by den gemeenen Man, die niet als op het<lb/> uitterlijke gebaar plagt te sien, dien langsaam ende voorsigtig<lb/> treedenden Eezel met silve ende god te bekleeden. Ende wy<lb/> in gevolge van dien, ook daageliks sien gebeuren, dat niet alleen<lb/> in Koningrijken, maar ook in quaalik gestelde Republiken, de Hoog-<lb/> ste Bedieningen van Staat ende Kerken, veeltijds werden toever-<lb/> trouwd, aan daar toe seer onbequaame Menschen. Ende dat die<lb/> des niet te min, ten deele door het vermoogen van dat Amt, ten<lb/> deele door den glants van hare huishoudinge ende grooten Staat,<lb/> eerbiedigheid bejeegend werdende, sy door hare al te groote ei-<lb/> gen-selfs liefde, die gemeenelik uit grooter onkunde ende klei-<lb/> de laatdunkendheid vervallen, dat sy sig laten voorstaan, die Am-<lb/> ten ende aller Ingeseetenen Eerbiedigheid, ten vollen waardig te<lb/> zijn. Ende derhalven sig ook innerlik verre booven haars gelijken<lb/> verheffen, niet alleen soo lange sy in die hooge bedieningen zijn,<lb/> ende des weegen van eenen idere der Ingeseetenen ge-eerd ofte<lb/> ke van kennisse ende oordeele, hoe men sig moet draagen, om<lb/> in die Bedieningen te konnen blijven, van die seer aansienelijke<lb/> ende profitabile Amten ontbloot zijn geworden: als wijtende<lb/> haare verneederinge nooit aan haare onbequaamheeden, maar al-<lb/> tijds aan eenige haare ongelukken ofte boosheeden van andere<lb/> Menschen, die ten onregte haar by den Souverain swart gemaakt<lb/> ende gelastert hebben, om haar uit die Amptern geslooten<lb/> hebbende, selfs in die haare Bedieningen te konnen tree-<lb/> den.<lb/> Sulks deese onbequaame ende kleine Verstanden, haaren ou-<lb/> den voorgaanden trand in alle haar doen behouden willende, en-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac279"/> de nu met andere oogen insonderheid van haars gelijken, die nij-<lb/> dig oover hare verheffinge zijn geweest, of ook van wijsere men-<lb/> schen, die haar uit enkel ontsag ge-eerd hebben, beschouwd<lb/> werdende; sig nog verre beneeden haare opregte waardye ge-<lb/> schat moeten sien, ende hooren by alle voorvallen, dat sy uit hert-<lb/> seere in teeringe vervallen, ende daar van koomen te sterven.<lb/> Daar in teegendeele de geene, welke in hooge Bedieningen<lb/> weesende, bescheidelik van der waardie hunner Hooge Be-<lb/> dieninge, ende ook oover hun eigen selven van die Amten ont-<lb/> bloot zijnde, geoordeeld hebben, altijds de selven blijven. Ge-<lb/> lijk men ten deesen einde van den wijsen Thomas Morus verhaald,<lb/> dat hy ten tijden van Hendrik de Agtste Canzelier van Engeland<lb/> zijnde, sig in alles met Koetsen, Paarden ende Dienaaren, naar<lb/> die Bedieninge droeg, sulks hy ter Kerke in bysonder Ge-<lb/> stoelte, ende sijn Wijf in een ander sittende, gewoon was door<lb/> eenen sijner Dienaaren haar aan te seggen, dat de Heer Canzelier<lb/> gegaan was, op dat Me-Vrouw alsdan ook opstaande, sy gelijkelik<lb/> aan der Koetsen koomende, alsoo gesaamentlik huiswaarts rijden<lb/> mogten. Gelijk ook daar by verhaald werd, dat hy, wanneer<lb/> die Kooning hem net groot Seegel ontnoomen, ende hem van dat<lb/> Amt afgeset had, hy aanstonds ook sijne geheele Huishoudinge<lb/> daar naar aanstelde, met sijne oovertollige Koetsen, Paarden en-<lb/> de Dienaaren af te schaffen; ende dat hy den eersten volgenden<lb/> Sondaage niet meer dan met eenen Koetsiere ende eenen Dienaare<lb/> ter Kerke gereeden zijnde, ten einde des Gods-dienst, selfs<lb/> ontstond, ende sijnen Wijve al schertsende ging seggen; Mada-<lb/> me, Mylord is gone, dat is, Me-Vrouw, mijn heer is gegaan;<lb/> ende leide hy haar met der hand naar de Koetse, eeven gelijk<lb/> gemeene Borgers haare Wijven deeden. Sig selven niet alleen,<lb/> maar sijn Wijf ook leerende, dat het eene seer groote wijsheid<lb/> was, sig met eenen goeden genougen, ende blijder Geest te ken-<lb/> nen, ende te draagen naar den staat, daar men sig in bevind.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac280"/> Ende is derhalven de eigendlijke leer deeser FABULE, alle<lb/> hoog gesteegene, ende weegens haar Bedieninge ge-eerde<lb/> Menschen indagtig te maaken, dat sy om altijds de selven te<lb/> konnen blijven, wel dienen sig selven te ondersouken, ende niet<lb/> hooger te schatten dan sy eigendlik, ende sonder eenige Bedie-<lb/> ninge, waardig zijn.<lb/> </p> |
| SEQ |
49 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic275.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem048 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
reserved for caption |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Men kend een Mans Neederigheid als hy Groot is. Men kend een Mans Rijkdom als hy dood is |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac275 |
| MOTTO_LA |
<p>Nosce te ipsum.</p> |
| TYPE |
emblem pictura |
| PREV |
embstma_add132_emblem046 |
| MOTTO_NL |
<p>Men kend een Mans Neederigheid als hy Groot is.<lb/> Men kend een Mans Rijkdom als hy dood is.</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem047 |
| MOTTO_LA_NORM |
Nosce te ipsum |