$ TEXT_EXPL_XML

48. De Arend ende de Vos EEn Arend sijn nest op eener Boome hebbende, maak- te vriendschap met den Vosse, die derhalven ook sijn nest sogt ende sijne Jongen wierp onder aan den Boome, maar als de hongersnood den Arend perste, om sijne Jon- gen te versorgen, vergat ofte veragte hy alle regulen van vriendschappe. Want terwijle de oude Vos uitgegaan was, om voedsel voor sijne eigene Jongen te souken, soo viel hy o die Jongen, ende gaf de selven aan sijne Kiekens ten eeten; denkende, indien de Vos gewaar wierd, dat hy sijne Jongen gedood had, dat hy hem efter niet veel leed konde doen; gelijk waarelik de Vos weedergekeerd zijnde, ende verneemde wat de Arend gedaan had, sig als toen niet konde wreeken, dan met hem te schelden ende te vlouken. Sulks deese Arend, door deese straffeloosheid, nog stouter werdende, meende eene andere schoone gelee- gendheid gevonden te hebben, om sig ende sijne jon- gen weederom te konnen voeden met de stukken van een Geit, die den Gooden geofferd wierd; hy nam der- halven het vetste stuk van den Altaare, ende bragt het in sijnen neste, sonder te vermerken, dat onder aan het Vlees eene koole viers hing, tot dat die sijn nest ver- brande; ende de S. Arends onvlugge Jongen daar uit vliegende, ende vallende, den Vosse, die den selven aan- greep, tot buit wierden.

;

Uitlegging der Woorden. De Ouden hebben met eenen AREND verstaan, een magtig Mensch, ofte een Koning ende Vorst. Met eenen VOSSE, een behendig doortrapt Mensch, of- te een Hooveling. DEwijl selfs de aller-gelukkigste Menschen seer onkondig in veel Saaken, die haar aangaan, bevonden werden, ende seer groote passien ofte driften onderworpen, als meede daar en booven naar den lighaame seer veele gebreeken ende behouften onderhaavig zijn, ende dat sy sig selfs daar uit, alleen zijnde, niet konnen redden; Soo volgd, dat sy niet konnen nogte behoorden te leven als Engelen, ofte als wilde Beesten, voor soo veel die afge- scheiden zijn van andere Menschen, maar dat sy met eenige der selven ommegaan ende vriendschapen maaken moeten, ende behoorden, om soo veele doenelik, de ongemakken ende de vermaaken onses leevens te verminderen ende te vermeerderen, Ende oovermits ons voorkoomen, Menschen die ons meerder, min- der, ofte ons gelijk zijn, ende dat ons daar aan seer veel geleegen is, of wy met den eenen ofte met den anderen Ommegaan ofte vriendschappen maaken: Soo staat ons nu te ooverleggen, met wien van dien oorbaarlik zy, eenige Vriendschap aan te gaan ofte niet; dat is, onderlinge vreugd, droufheid, troost, raad ende hulpe, gemeen te maaken, ende in het gemeen te genieten. Waar om- trend men aanstonds siet, dat ten weedersijden de onderlinge kraft ofte magt ende wille, om het opgemelden te konnen ende te willen doen ofte genieten, noodig is. Ende dat, wanneer een van tween mogte ontbreeken, het nooit aan de wille ontbreeken mag, om dat de kraft ofte magt sonder wille, altijds ydel ende vrugteloos is. Daar en booven soo siet men ook, dat men in het aangaan der Vriendschappen, boven allen op de goede wille bouwen moet, om dat sonder die goede wille, wel eene geveinsde, maar geene waar-n haste Vriendschap, gemaakt kan werden. Ende oovermits een meerder sig inbeeld, niet ligtelik te sullen vervallen tot die onge- leegendheeden, waar in hy eenen minderen siet, so werd hy daar door minder bewogen, om sijne magt ende kraften ten voordeele van sij- nen minderen Vriende, werkstellig te maken: behalven dat hy door de Hoogheid, daar hy sig in vind, de ongemakken der minderen so wel niet begrijpen kan, om haar so bequamelik te troosten, als of hy in den selfden stande ware. Ende in teegendeel is bekend, dat des selven Raaden ofte Bidden, door den Minderen voor een ge- bod moet werden opgenoomen, als ook dat de Meerder, weetende van den minderen niet soo wel getroost, geraaden, ende gehol- pen te sullen werden, als of hy hem gelijk waare, veel traager werd, om het selven van sijner sijde te presteeren, ende kan die traagheid ofte naalaatigheid, ja ook ontrow, ontstaan, uit die gedag- ten, dat by 't schenden der Regten van vriendschap, een Minder sig niet wreeken, ende hem soo veel als sijn Meerder, ofte sijns gelijk; niet beschaadigen soude konnen: sulks hy veel eer gesind kan werden, sijnen minderen Vriende ontrow te zijn, ofte te be- schaadigen. Maar in Ommegangen ofte Vriendschappen onder gelijke Men- schen, bespeurd men gelijke ofte by naast de selve kennisse, passien, en magt ende komt dan aanstonds in gedagten de gemeene mensche- likheid naamentlik, dat het gunt soo eenen Vriende gebeurd is, ons seer ligtelik ook gebeuren soude. Ende geeft die gelijkheid derhalven ten weedersijden eene groote bequaamheid, ende ook geneegendheid, om onderling geheim van verdriet ofte vreugd, gemeen te maken, raad te pleegen, daar in te helpen, ende ook geholpen te werden. In soodaaniger vougen, dat men sijn geheim ende droufheid sijnen Vriende bekend gemaakt hebbende, schijnd van de helft van dien ontlast te zijn, ende daar en teegen hem onse vreugd hebbende meede gedeeld, soo schijnen wy onse blijd- schap te verdubbelen. Ende werd om alle voor-verhaalde ree- denen de Vriendschap, van alle oude tijd, het Sout onses leevens, en- de eene heilige Saak genaamd, met die opmerkinge, dat deselve neevens den Godsdienst, in waarde behoorde te werden gehou- den. Ende dat Menschen, die in Vriendschappen ontrow zijn, sig gemeenelik niet ontsien, Goode ontrow te zijn, ende dat sy door het schenden van beide die heilige Saaken, by Goode ende den Menschen plagten so gehaat te werden, dat, wanneer sy daar minst om denken, andere geringe Menschen, die sy voormaals trow- looselik beschaadigd hebben, geleegendheid krijgen, ende geene versuimen, om haar ten uitersten te beleedigen ofte te vernietigen. Het is derhalven den Minderen seer ongeraaden, met sijnen Meerderen Vriendschappen te willen maaken. Ende moet men insonderheid indagtig zijn, dat Koningen ende Vorsten, meenende niet aan haaren Minderen verbonden te konnen zijn, ende boo- ven allen niet aan eenige van haare Onderdaanen, sy derhalven van haare sijde alles sins vry blijven, om den Minderen vriend- schappen te bewijsen ofte niet, jaa om die ook te mogen dooden. Sulks hoe naauwe ende vertrouwde ommegang deselve met eenen Koninge ofte Vorste moogen hebben, sy altijds denken moe- ten, dat Koningen ofte Vorsten, nooit iemans Vrienden ofte Maagen yijn, a maar wel, dog selden, Vrienden hebben; ende dat sy waarelik in noode zijnde, haare gewaande Vrienden niet alleen te verlaaten, maar ook te beschaadigen ende te vernietigen plag- ten: Sulks selfs de aller-doortrapste ofte wijste Hoovelingen, ee- ne schijn-vriendschap met Koningen ofte Vorsten gemaakt heb- bende, die ongemakken niet konnen ontgaan. Gelijk wy lee- sen konnen, dat die vermaarde Hooveling Philippe de Comines, soo gemeensaam met den Hertooge Karel van Bourgondien was, dat hy eenmaal met dien Hertooge van der Jagt ten Huise wee- der gekeerd zijnde, ende met den selven alleen in sijner Kaa- mere weesende, hy sijne Laarsen niet konde uit trekken, ende daar toe de hulp des Hertoogen versogt, die eene der selven uit getrokken hebbende, hem daar meede om der ooren sloeg, seg- gende, Leer dus, van uwen Heere, nooit uwen Dienaar te maaken. En- de alsoo dit niet alleen rustbaar, maar ook Comnieus van den Ho- velingen daar oover met der naame van Leer-laars geduurig bespot wierd; was dit eene der oorsaaken, waarom hy naamaals sijn Va- derland ende sijnen Heer verried, jaa genougsaam eene oorsaak sij- ner Dood was. Maar daar en teegen soo sien wy ook veeltijds gebeuren, dat de Magtigsten trowlooselik haaren Minderen Vriend beleedigd heb- bende, ende de mindere haare wraak Goode opgeevende, sy sig veeltijds, door Goodes onvermijdelik bestier, van die ontrouwe ge- wrooken sien, wanneer die Koningen ofte Vorsten, daar minst op denken. De regte sin deeser FABULE is derhalven, ons te leeren, dat selfs de aller-doortrapste Mensch, dat is een Vos, geene vriendschap met eenen Arende behoorde te maken, om dat een Arend in sijnen noode, den Vosse sijnen Vriende, als sijnen mindere, ontrow ende wreed weesen sal. Ende eindelik leerd ons deese FABUL, dat God, als een KOning der Koningen, de heilige Vriend- schap soo hoog te agten, ende den Arend, dat is ook den aller- hoogste Mensche, soo seer oover die ontrouwe te straffen en- de te verblinden plagt, dat hy nog grootere schemlstukken mee- nende te doen, daar in sijn verderf ende ondergang vinden sal, ten trooste ende ten genougen der geenen, die door den Arend- de, dat is dien uitsteekenden Mensche, verongelijkt zijn geweest.

SEQ 50 PARENT embstma_add132 HIM FABLES ; GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK URL_IMAGE embstma_add132_pic281.jpg TIPE emblempictura NEXT embstma_add132_emblem049 IIHIM FABLES ; GUL ; MNE ; EMBLEMS ; ILL_BOOK CAPTION_EN reserved for caption SOURCE_FILE embstma_add132.xml MOTTO_NL_NORM Beeter een Hond ten Vriende als ten Vyande LINK_FACSIMILE embstma_add132_fac281 MOTTO_LA

Habet et musca splenem.

TYPE emblem pictura PREV embstma_add132_emblem047 MOTTO_NL

Beeter een Hond ten Vriende als ten Vyande.

ID embstma_add132_emblem048 MOTTO_LA_NORM Habet et musca splenem CHILDREN CHILDREN_SQRT 0