$ TEXT_EXPL_XML
60. Een boer ende eene Slang.
EEn Boer des winters oover weegen gaande, vond al
daar eene seer groote stijf-bevroosene Slang, ende dier
meeninge zijnde, dat de Slangen, hoe sy grooter zijn, den
Huise daar sy in komen te woonen, des te meer geluks aan-
brengen; soo nam hy haar op, bragtse te sijnen huise, ende
verwarmde haar by den viere soodanig, dat sy hare voor-
gaande kraften weeder kreeg, ende dus genougsaam van
der doode verrees: Als wanneer de Boer sijnen Wijve be-
val, haar van tijde ter tijden spijse voor te setten, naast
onthiel. Waar na het ook scheen, dat die Boer in sijne
saaken gelukkiger als voorheen was.
Efter gebeurde op eenen Sondage, dat de Boer, hooft-
pijn hebbende, des weegen te bedde bleef leggen, ter-
wijle sijn geheel huisgesin ter Kerke ging. Sulks het aldaar
gants stil zijnde, de Slang uit den Hoole kroop, ende
buiten hare gewoonte vast ommesag: waar oover die Boer,
welke sulks gemerkt had, alsoo des selfs kamer-deu oo-
pen naar den viere stond, geneegen weesende te sien, wat
de Slang soude doen, sig verborg om daar op te letten;
ende dien volgende met sijne eigene oogen sag, dat de
Slang alle houken doorsien, ende nieman gemerkt heb-
bende, naar den viere kroop, ende in eener groote potte
met spijse, daar op te kooken staande, haar vergif deede
vallen, ende straks weederom in haaren Hoole kroop,
hebbende waarschijnelik die verwagtinge, dat het gehee-
le huisgesin, van die spijse sullende eeten, daar van ster-
ven, ende sy dus alleen Erfgenaam van alle haare naa-
laatenschap weesen soude.
De Boer dit gesien hebbende, groef stillekend de pot
met die vergifte spijse in der aarde, op dat nieman daar
door vergiftigd wierde. Ende om oover die groote on-
dankbaare moorddaadige gierigheid behoorelik straffe te
ouffenen, settede hy sig op dien tijd, als men der Slange
plagt spijse te brengen, booven dat Hol, met eener bijle
in sijner hand. Maar de Slang bewust zijnde hares schelm-
stuks, kroop met omsigt, ende traager als voor heen;
sulks de Boer, soo haast hy haar sag, toeslaande, de wand,
ende niet haar hoofd, dat sy tijdelik intoog, klief.
Eenigen tijd daar na scheenen de saaken van dien hui-
se niet soo voorspoedig, als wel eer te gaan: waarom het
geeven, ende eene onderlinge vaste Vreede ende Vriend-
schap met haar te maaken. Ten welken einde de Boer,
het lieve ene heilige sout ende brood voor den Hoole ge-
bragt hebbende, de Slange riep, ende daar by heiliglik
swoer, dat sy allesins seeker voor hem weesen soude, in-
dien sy geliefde alles te vergeeten, ende hare oude vriend-
schap te verniewen. Waar op die voorsigtige ende wee-
reld-wijse Slang antwoorde: ,, Vermits wy ons leven niet
,,dan eenemaal konnen verliesen, ende het ons beider-
,,sijds eeven dierbaar is, Soo is niet wel moogelik, ende
,,is ook gants ongeloovelik, dat gy my voortaan soud kon-
,, nen sien, sonder dat de geheugenis mijner al te groote
,,misdaad in u verniewd, ende gy opgewekt wierde, om
,,sorge te dragen, dat sulks niet meer door my konde ge-
,,schieden. Het welk alsoo my niet seekerlik soude kon
,,konnen doen, te beneemen, naamelik met my te doo-
,,den ofte in eewiger gevangenisse te werpen: Ende dat
,,volgens het spreekwoord:
Bak quaade Eyeren in de pan,
Soo koomen daar geen quaa Kiekens van.*
,,Soo heb ik voorwaar groote reeden om te vreesen, dat
,,gy sulks ook ter eerster geleegendheid soud tragten te
,,doen. Immers, al konde gy waarelik alles vergeeven,
,,jaa vergeeten, soo soude ik nogtans nimmer naar mijn
,,Hol konnen kruipen, sonder aan den wande van dien
,,te sien, de oover blijfselen der doodelike slaage, die gy op
,,mijnen kop meende te brengen, en die ik, dat nog meer
,,is, weet warelik van u verdiend te hebben; + Sulks ik be-
,,koomende geleegendheid ook warelik toebrengen soud
,,ten waare ik u voorquaame ende selfs van kant hielpe.
,,Derhalven ik oordeel, dat in deesen stande der saaken,
,,nog voor my, nog voor u, eenige veiligheid ende ver-
,,seekerdheid, om niet onderling gedood te werden, en-
,,de onderwijlen onbekommerlijker te leeven als wy nu
,,doen, kan zijn; dan ons verre van een te scheiden, en-
,,de des niet te min ten weeder-sijden op onse hoede te
,,weesen.
Uitlegging der Woorden.
Met eener SLANGE hebben de Ouden verstaan
een seer geld-sugtig ende kaarig, ofte een seer
voorsigtig Staatkondig Mensch.
Met eenen BOERE, een goed aardig, ligt-geloovig, onvoor-
sigtig Mensch.
Dewijle alle reedelijke Schepselen, geene uitgesonderd, haat
eigen behoud behooren te souken, ende wanneer sy ietswes met
anderen te schaffen hebben, weten dat eene wel-gestelde onderlin
ge Liefde, om sig te behouden, van sijn eigen selfs behoorde te be-
ginnen; So volgd hier uit; dat geen verstandig Mensch aan den an-
dere eenige weldaad doed, dan met die gedagten en hoope, dat hem
desweegen van den geenen, welke die weldaad genieten, ofte ook
wel van anderen, by voorvallende geleegendheden, ook eenig goed
sal weedervaaren. Ende wanneer daar naa de geen, welke die
weldaad genooten heeft, de selve met eene andere weldaad, vry-
willig, aan sijnen weldoenere selve, ofte aan den geenen, die hem
lief zijn, erkend ofte niet, soo werd de selve gesegt. Dankbaar of-
te Ondankbaar te zijn. Ende werd derhalven de Dankbaarheid of-
te Ondankbaarheid met regten gesegt alle menschelijke Deugden
op te wekken, ofte uit te blussen. Sulks in gevolge van dien de
seer versoeid behoorden te werden. Gelijk het oude Latins Spreek-
woord ons dat leed, namelik, Ingratum dicas & omnia dixeris. Seg
maar dat hy ondankbaar is, ende sy sult soo veel quaads van dien
Mensche gesegt hebben, als men van iemanne ter wereld seggen kan.
Gelijke meede de Grieken met hare Fabulen eenen Ondankbaaren
mensch willende afbeelden, ons voordraagen, dat de Wolf een been in
sijner keele hebbende, den Kraan ootmoedig bad, hem daar van,
ende mitsdien van der dood te verlossen; ende dat de Kraan het
selven met sijnen langen bek, van seer diep uit der keele getrok-
ken hebbende, met die hoope, dat de Wolf voor die groote wel-
daad dankbaar soude wesen, de Wolf in steede van dien den Krane had
,,gesegt: Het strekke u ter oovergroote belooninge, dat ik u het
,,hoofd, wanener het in mijnen monde was, niet hebbe afgebeeten.
Ende is meede aanmerkens waardig, dat de selfde Grieken ons
der Wolven aard in seventien verscheide Fabulen leerend kennen, met
hem wel afbeelden, Doomme, Bedroogen werdende, Bedriegende, Gul
sige, Kaarige, Nijdige, Mein-eedige, ende Wreede Menschen: maar dat
sy ons door den Wolve nooit eene eenige Deugd der Menschen lee-
ren. Sulks sy met alle opgemelde FABULEN gelijkelik aange-
merkt weesende, ons niet duistelik te kennen geeven, dat by
ondankbaare Menschen gants geene Deugden te vinden zijn.
Ende hoewel de Oosterse Fabulen ons wijder leeren, dat de Men-
schen in het gemeen alle genootene weldaden in den sande, ende op
den See-strande, en hare gedane weldaden in de klippen schrijven, al
waar dat schrift door de minste winden ofte See-vloeden, aan
stonds werd uitgewist, ofte iin der eewigheid blijfd, ende dat mits-
dien onder alle Dieren deeser weereld geene ondankbaardere wer-
den gevonden als eeven de Menschen; Soo vermoogen wy nogtans
niet ons geweeten te beswaaren, met ons te onthouden, van in
soodaanige gevallen, daar wy selfs gaarne van anderen geholpen
souden werden, den selven behulpsaam te weesen.
Dog wanneer eenige Menschen, naa seer groote genootene
Weldaaden, booven die gemeene ondankbaarheid; door Geld- ofte
Heerssugt, alsoo die gebreeken alleen, magtig zijn de Menschen
tot de aller-snoodste Schelmstukken te beweegen, sig laaten ver-
leiden, om haren Weldoener te verderven, ende te dooden; ten
met sijne Eeer-amten bekleeden, in plaatse van hem Dankbaar te zijn:
Soo begaan sy daar meede een onuitspreekelik groot Schelmstuk, en is
dat een Gebrek ofte Boosheid, welke wy in onser Tale, om der seld-
same ende schrikkelijke vervlouktheid van dien, met eenen woorde
niet konnen uitdrukken: alsoo dat gebrek wegneemd alle gronden
van onderling vertrouwen ende ommegang der Menschen, ende dat
mitsdien die booswigten sig onwaardiig ende onbequaam maken, om
met eenige Menschen, die sy in het bysonder alle ter versaadigin-
ge van haare Geldgierigheid ofte Heersugt, souden konnen beschadi-
gen ofte dooden, eenige de minste gemeenschap te hebben.
Ende derhalven is het soo eene bekende groote onvoorsigtigheid ofte
Staats-onkone, in soodaanige geleegendheden van gepleegde ondank-
baarheid, met die bose Menschen, wanneer haar voorneemen mislukt
is, te versoenen, en met die daar na eenige de minste gemeenschap te
hermaken; dat sulks niet dan van gants onweetende, Staats-onkondige,
domme Boeren, welke niet wijs genoug zijn, haar eigen seeker verderf
te voorsien, kan werden verwagt: Gelijk om die groote Dwaasheid
te verbeelden in onser FABULE, de persoon van eenen Boere en-
de Boerinne voorgedraagen werd.
Ende om nu onse voorgaande Reedenkaavelinge te bevestigen,
schijnd wel dienstig te weesen, met exempelen aan te wijsen, dat
nog heeden in onsen Lande veele diergelijke Heerssugtige, Geldgieri-
ge Booswigten, als ook soodaanige onvoorsigtige Menschen zijn,
ofte onlangs geweest zijn; maar soude het selven al te veel aan-
stoots geeven: om dat de allerbooste ende te gelijk de allermagtigste
Menschen deeses Aardboodems, sig in die Exempelen geraakt en-
de gemeend te zijn, souden vermoeden, ende mitsdien gewisse-
lik op den uitlegger deeser FABULEN swaare slagen souden doen
vallen.
Sulks het ons genoug sal weesen, nu te moogen seggen, dat
de eigendlijke sin deeser FABULE is, ons te leeren, dat altijds,
ende in alle Landen, diergelijke ondankbaare boos-aardige, dog
onweetende ende des Staats-onkondige Menschen, als deese Boer
ende Boerin was, gevonden werden.
Chi manco offende perdona assai,
Chi piu offende perdona mai.
Die een maal een Schelmstuk doet, is een
Schelm, ende is noit te betrouwen.