| TEXT_EXPL_XML |
<p>66. De Eesel ende het Paard.<lb/> EEn Eesel ende een Paard eenen ende den selfden Hee-<lb/> re dienende, soo wierd het Paard gebruikt om ee-<lb/> ne ligte waagen te trekken, ende ook somtijds den Heer,<lb/> ofte eenen kleinen last te dragen; waar vooren hy in der<lb/> weiden het beste gras, ende op der stallen seer goed hoor,<lb/> ende daar en booven kostelijken vetten haaver genoot.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac416"/> Daar in teegendeel de Eesel geduurig gebruikt wierd, om<lb/> op sijnen gekromden rugge de aller-swaarste lasten te dra-<lb/> gen, ende daar vooren van sijnen Heere nietwes genoot,<lb/> dan ten velden ende weegen, Distelen ofte eenige ande-<lb/> re ondeugende groente, ende in der Stallen, kaf ende<lb/> strooi, Sulks hoewel de Eesel reeden had, sig te ver-<lb/> blijden, dat een Dier, welk hem onder allen anderen<lb/> naast geleek, gelukkig was; insonderheid omtrend soo-<lb/> daanige saaken, waar meede dat Dier hem niet beschaa-<lb/> digen, maar wel baaten konde; soo wierd hy des niet te min<lb/> daar oover bedroufd, misnougd ende nijdig.<lb/> Dog kort daar aan een oorlog rijsende, moest dat<lb/> Paard ende niet de Eesel, sijnen heere in den strij-<lb/> de soodaanig ten dienste zijn, dat het Paard aldaar<lb/> seer swaarelik gequetst zijnde, moest huiswaarts keeren.<lb/> Alwaar de Eesel sulks siende, wel ten deele met goede ree-<lb/> denen sig innerlik verblijden, soodaanige dood ofte smerte<lb/> niet onderworpen te zijn: maar ook ten deele teegen al-<lb/> le reeden ende billikheid sig verheugde, om dat hy nu ver-<lb/> merkte, dat het Paard alsoo ongelukkig als hy was; daar<lb/> nogtans des selfs ongelukken de sijne niet verminderen<lb/> konden.<lb/> Ende eenigen tijd daar naa, als het Paard geneesen<lb/> was, moest die Heer met verscheidene Koopmanschap-<lb/> pen, oover lande eene verre reise doen, waar toe hy het<lb/> Paard seer ligtelik, ende den Eesel seer swaar beloed.<lb/> Sulks de Eesel onderweegen bemerkende, dat hy einde-<lb/> lik onder dien swaaren laste soude beswijken, den moe-<lb/> digen Paarde, welk met schoone veederen op den hoof-<lb/> de, ende met klinkende bellen aan den lijve versierd was,<lb/> aldus aansprak: ,,De Natuur heeft soo groote gelijkheid<lb/> <pb n="embstma_add132_fac417"/> ,,van lighame, ende ook soo naa Maagschap onder ons,<lb/> ,,gemaakt, dat een braave Hengst niet ongaarene eene<lb/> ,,Eeselinne dekt, ende dat eene Merrie sig blijdelik van<lb/> ,,eenen Eesele laat berijden, als ook dat die beiden met<lb/> ,,smerten ondeilbare Veulens voortgebragt hebbende, de-<lb/> ,,selven met grooter liefde op voeden. Daar en booven<lb/> ,,hebben wy eenen selfden Heere lange gediend, binnen<lb/> ,,welken tijd ik nooit uw voedsel verminderd, maar al-<lb/> ,,tijd den swaarsten last geduldelik gedraagen hebbe. Nu<lb/> ,,voel ik my soo swaar belaaden, dat ik onderweegen sal<lb/> ,,beswijken, indien gy niet hebt die goedheid my te ver-<lb/> ,,ligten. Heb ook derhalven deernisse met my, gy die ik wa-<lb/> ,,relik mijnen Broeder mag noemen, ende ontlast my van<lb/> ,,eenen deele mijner al te swaaren laste, op dat ik moo-<lb/> ,,ge behouden blijven, ende gy naa mijnen ondergange<lb/> ,,niet genoodsaakt werdet, den geheelen last alleen te<lb/> ,,dragen.<lb/> Dog alle deese goede reedenen komende uit den monde<lb/> des veragten Eesels, wierden door den trotsen hoogdraven<lb/> den Paarde versmaad, ende wierd de waarheid van dien<lb/> gants niet ooverwoogen, maar wierd insonderheid des<lb/> Eesels seggen des te meer veragt, om dat het Paard sig<lb/> liet voorstaan, dat de Eesel al te vermeetel was geweest,<lb/> met sijne Maagschap te vertoonen, ende daar en boven<lb/> sig Broeder des Paards te derven noemen. Sulks de Ee-<lb/> sel gants niet ontlast werdende, ook onder dien waarlik<lb/> al te swaaren last quam te beswijken, ende de Heer in<lb/> opgemelden stande sijner saaken sig genoodsaakt, ende<lb/> ook geraaden vond, alle de pakken, daar de Eesel mee-<lb/> de belaaden was geweest, op den Paarde te leggen, en-<lb/> de daar en booven hem met des Eesels huide te beladen.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac418"/> Als wanneer dat al te hoogmoedig Paard te regt eerst<lb/> beseffen konde, hoe groote gemeenschap ende maagschap,<lb/> waarelik tussen eenen hoog-draavenden Paarde ende ee-<lb/> nen ter needer geboogenen Eesele was. Ende by gevol-<lb/> ge, hoe qualik hy gedaan had, sig niet tijdelijk oover<lb/> dien armen Eesele te erbarmen.<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> Met een PAARD, hebben de Ouden hier ver-<lb/> staan een weelig trots Mensch.<lb/> Met een Eesel, een traag, arbeidsaam, gering<lb/> Mensch.<lb/> HEt is kennelik, dat alle Menschen door den Seegen van eenen<lb/> ende den selfden Goode, op eene wijse geteeld, gebooren ende<lb/> gevoed weren, als ook dat sy in haar geheel leeven alle de selve<lb/> gevallen, soo naar der SIele als naar den Lighaame, onderworpen<lb/> zijn; ende eindelik dat sy stervende, alle moogen verhoopen, van<lb/> den selfden Heere, met een eeven geluksaalig eewig leeven be-<lb/> genaadigd te sullen werden.<lb/> Het welk onweederspreekelik waarhaftig zijnde, ende daar by<lb/> ooverwoogen werdende, dat alle Menschen verpligt zijn, een le-<lb/> ven te leiden, dat met den welvaaren des geheelen menschelij-<lb/> ken geslagts, soo in het gemeen als in het bysonder, aangemerkt<lb/> zijnde, oover een komt; a Soo is ook kennelik, dat wy het wel-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac419"/> vaaren aller Menschen, ende insonderheid der geenen, daar wy<lb/> de meeste gelijkheid, gemeenschap, ende maagschap meede<lb/> hebben; te besorgen, ende der selven qualik-vaaren, af te wee-<lb/> ren behoorden. Gelijk meede uit den selven gronde volgd, dat <lb/> wy ons ook behoorden te verheugen, ofte te bedrouven, als het<lb/> den Menschen, ende insonderheid soodaanigen Menschen wel of-<lb/> te quaalik gaat.<lb/> Ende naademaal de Menschen door opgemelde onderlinge ge-<lb/> neegendheeden, in dit haast vergankelik leeven sig dus alle soo<lb/> gelukkig souden maken, als hun aard hier eenig geluk ofte wel-<lb/> vaaren bereiken kan: Soo staat ons wijders te ondersouken, of, <lb/> ende waarom de Menschen in het gemeen sig naar deese goede<lb/> reedenen dragen, ofte waarom sy haar leven daar naar niet aanstel-<lb/> len willen. Namelik, niet jeegenstaande opgemelde goede Ree-<lb/> denkaavelingen, soo bevind een yder in sig selven, ende merkt<lb/> ook in andere Menschen, dat de Hertstogt van ons eigen selfs liefde,<lb/> ons soo selven niet aanmerken onder die voorgeroerde menschelike ge-<lb/> meenschap ende maagschap, ofte, dat wy ons selven niet aansien als<lb/> een deel te zijn van den geheelen menschelijken geslagte, welk wy<lb/> soo veel in ons i, te minnen ende te besorgen behoorden; ende dat<lb/> wy ook in de aanmerkingen van deesen gemeenen welvaaren,<lb/> ons hoogste genougen behoorden te stellen; maar is in deesen<lb/> onse dwaling soo groot, dat wy daar en teegen ons selven by naast<lb/> altijds aanmerken, als of wy Menschen onderling gants van een<lb/> gescheiden waaren, ende sulks als of een yder geen deel waare,<lb/> maar een geheel op sig selven maakte, ende dat eenes anderen wel-<lb/> ofte qualik-vaaren ons niet aanging, dan voor soo veele wy selfs<lb/> daar door gebaat ofte benaadeeld staan te werden.<lb/> Jaa gaat die onse dwaaling soo verre, dat by naast nieman<lb/> meend wel ende gelukkig te weesen, dan ten zy hy sig aanmer-<lb/> ke, als beeter ende gelukkiger te zijn, als een ander; ende inson-<lb/> derheid als een die hem meest gelijkt ofte gelijk plagt te wee-<lb/> sen. Ende veroorsaakt die selve dwaaling wijders, dat ook by<lb/> naast nieman meend rampsaalif ofte ongelukkig te weesen, wan-<lb/> neer hy andere Menschen, die hem naast, ofte in alles gelijk plag-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac420"/> ten te weesen, aanmerkt als veel ellendiger ende ongelukkiger,<lb/> dan hy selver is.<lb/> Waar uit dan wijders volgd, dat wy veeltijds vreesen, dat een<lb/> ander, ende voorneementlik een die ons gelijk plagt te weesen,<lb/> sijne voorspoed ter onser verneederinge ende verminderinge sal<lb/> doen strekken, ofte dat hy uit ende met ons qualik vaaren, sijn<lb/> eigen welvaaren sal souken te vemeerderen. Ende schoon ge-<lb/> noomen wy vermoeden konden, dat de Menschen in het gemeen<lb/> ende insonderheid die ons naast zijn, ofte meest gelijken, soo-<lb/> danige Boosheid teegen ons niet souden pleegen; soo is nogtans<lb/> eenen ydere bekend, dat Menschen die langduurige voorspoeden<lb/> beleeven, gemeenelik soo hoogmoedig, trots, ende laatdunken-<lb/> de werden, dat sy haare gedagten in het geheel van de ellenden<lb/> ende ongelukken anderer Menschen, jaa ook eenigsins der gee-<lb/> nen, die haar gelijk plagten te weesen, afwenden; ofte, ten<lb/> besten gaande, die smerten, onder welke andere Menschen sug-<lb/> ten, seer flaauwelik ende gelijk als in eenen Droome aanmerken,<lb/> sonder dat die al te weelderige Menschen daar by eenige uitwer-<lb/> kingen ten voordeele der ellendigen vougen.<lb/> Ende oovermits nogtans God Almagtig waarelik onder alle Men-<lb/> schen soodaanige gelijkheod heeft gemaakt, dat alle het gunt den<lb/> eenen gebeurd, ook den anderen gebeuren kan, ende dat ook<lb/> alle Menschen, wanneer sy buiten die driften ende swier van<lb/> bewoogene verfoejelike Nijd, ende Onbarmhertigheid zijn, die ge-<lb/> breeken in andere Menschen seer haast vermerken, ende ook al-<lb/> tijds haaten: Soo volgd daar uit ook veeltijds, dat die ter needer<lb/> geslagene Menschem, van eenige andere warelik meede-doogende<lb/> opgeholpen werden. Ende soo ontstaat hier uit ook seer ligtelik,<lb/> dat die Nijdigers sig selven niet alleen te vergeefs plaagen, maar<lb/> daar en boven sig ook door die Nijd in veele ongemakken inwik-<lb/> kelen. Gelijk meede die trotse ende onbarmhertigen, door de selve ge-<lb/> breeken, veele rampen op hare eigene halsen plagten te haalen, en-<lb/> de in die ellenden te blijven steeken; om dat sy van de meede-<lb/> doogende Menschen werden geoordeeld, aller hulpe onwaardig<lb/> te zijn, ende die roeden, met welk sy gestraft werden, wel ver-<lb/> diend te hebben.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac421"/> Dit meenen wy ons allen innerlijk soo wel bekend te zijn,<lb/> dan onnoodig sal weesen, de waarheid van dien met bysondere<lb/> Voorbeelden te bevestigen. Sulks wy niet dan een Voorbeeld van<lb/> Staat, het welk onses eragtens ter verklaaringe onser FABULE<lb/> diend, aanwijsen sullen.<lb/> De Raden des Konings van Hispanien, Philippus de tweede, nijdig<lb/> geworden zijnde oover het groot welvaaren onder Neederlanden,<lb/> bestonden insonderheid seedert den Jaare 1560. de selven al-<lb/> langs soodaanig te beswaaren, dat daar uit onse lang-duurig,<lb/> ende eindelik ook voor den Rhijke van Hispanien, al te koste?<lb/> lijke Oorlogen volgden. Sulks die Raaden daar na, ende voor-<lb/> naamelik seedert den Jaare 1629. sienden dat sy de SPaande Nee-<lb/> derlanden teegen onse ooverkostelijke Veldtogten, die ons nu nog<lb/> ter needer drukken, niet souden konnen beschermen; ende<lb/> voorsienden, dat het altijds Conquesteer- ofte Krijgs-lievende<lb/> Vrankrijk* eindelik meede op de Neederlanden vallen, ende veelligt<lb/> soo wel eerst de Spaansen als daar na de Vereenigde Neederlanen in 't<lb/> geheel wegneemen soude; vertoonden van tijden ten tijden aan<lb/> den Vereenigden Neederlanden, dat het onderling best ware Vreede te<lb/> maken, om dat, als sy Spaansen dien last des Oorlogs niet langer dra-<lb/> gen souden konnen, Vrankrijk, haar als dan aangrijpen, ende misschien<lb/> de Spaanse Neederlanden veroovren soude. Ende dat als dan ook<lb/> dese Landen niet alleen de oude Magt van Vrankrijk, maar ook de<lb/> Niewe ende met de Spaanse Neederlanden gesterkte Magt, souden<lb/> moeten, ende niet konnen, afkeeren. Maar alle deese goede<lb/> reedenen des Spaansen afgematten Neederlandsen Eesels, waren te ver-<lb/> geefs; Want onse moedige Ruiter, ofte selfs het Hollands Paard,<lb/> versmaade de versouken ende klagten des opgemelden Spaans-<lb/> Neederlandsen Eesels.<lb/> Sulks nu ten weedersijden eindelik gevoeld werd, hoe oover<lb/> hondert ende meer Jaaren, de Spaanse Eesel quaalik beraaden is<lb/> geweest, de weelde des Neederlandsten Paards te benijden; ende<lb/> hoe seer daar naa ook onse RUiter, ofte het Hollands Paard, uitnee-<lb/> mend onvoorsigtig geweest is, den oover-laaden Spaans-Needer-<lb/> landsen Eesel niet soo tijdelik te willen van eenen deele sijnes lasts<lb/> <pb n="embstma_add132_fac422"/> ontlasten, dat opgemeld Paard nu buiten kommer mogte zijn,<lb/> van des Eesels geheelen Last, ende daar en booven sijnen Huid te <lb/> sullen moeten draagen, ende misschien daar onder te sullen be-<lb/> swijken.<lb/> Ende alsoo wy meenen den eigendlijken sin deeser FABULE<lb/> klaar genoug door onse voorgaande geheele Reedenkaavelinge<lb/> te zijn uitgedrukt, soo sullen wy, sonder daar van meer te spree-<lb/> ken, dus eindigen.<lb/> </p> |
| SEQ |
68 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic415.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem067 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
reserved for caption |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Met welke maate gy meet, sal u weeder gemeeten worden |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac415 |
| MOTTO_LA |
<p>Est miser nemo nisi comparatus. Senec. in Troad.</p> |
| TYPE |
emblem pictura |
| PREV |
embstma_add132_emblem065 |
| MOTTO_NL |
<p>Met welke maate gy meet, sal u weeder<lb/> gemeeten worden. Matth. cap. 7</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem066 |
| MOTTO_LA_NORM |
Est miser nemo nisi comparatus |