| TEXT_EXPL_XML |
<p>69. Een Hert, spiegelende syne Beenen,<lb/> ende Hoornen.<lb/> EEn Hert dat maar een oog had, langs der See strand<lb/> gaande, ende sijn goed oog landewaarts, van waar hy<lb/> het wuaad vreesde, ende sijn blind oog See-waarts, van<lb/> waar hy geen quaad vreesde, gewend hebbende, wierd<lb/> des niet te min uit eenen voor by gaanden Scheepe, met<lb/> <pb n="embstma_add132_fac440"/> eener Flitse getroffen, dog soo ligtelik, dat hy door der<lb/> snelheid sijner beenen den Iaageren, die sig aan Strande<lb/> hadden doen setten, ontliep. Ende terwijle hy van der<lb/> quetsuure geneesen wierd, soo verborg hy sig in eenen<lb/> Wijngaarde, alwaar hy eindelik sig niet onthoudende van<lb/> de ranken, die hem bedeken, op te eeten, daar door<lb/> aan sijne Hoornen sulks van den Bowluiden vermerkt ende<lb/> vervolgds wierd, dat hy niet dan door de groote snelheid<lb/> sijner Beenen, den selven ontloopen konde.<lb/> Jaa het gebeurde eindelik, dat hy te gelijk vab Iaage-<lb/> ren ende Honden soo seer naargejaagd ende benawd wierd,<lb/> dat hy vermoeid ende afgeloopen zijnde, geraaden vond<lb/> met toestaan ende ten genougen der Koejen ende Ossen<lb/> eener Stalle, sig aldaar te verbergen in den hooje: alwaar<lb/> de sorgeloose Dienaars des Bowmans, naar hare gewoon-<lb/> te, alles sloffelik besigtigende, het Hert niet gemerkt<lb/> wierd. Sulks het onderwijlen sig seer wel voede ende uit-<lb/> ruste, soo dat als daar naa de alles-doorsnuffelende ende<lb/> besorgde Meester de Herts-hoornen haast vermerkt had, en-<lb/> de naar hem toequam, hy vaardig ontspringen ende uit<lb/> der Stalle ontloopen konde.<lb/> Dit alles niet jeegenstaande, gebeurde daar naa, dat<lb/> het Hert sijnen dorst aan eener klaare Beeke lessende,<lb/> daar in sijne seer dunne Beenen, ende ook sijne schoone<lb/> wel-getakte Hoornen bespiegelde, ende sig selven oover<lb/> die sijne seer schoone Hoornen seer wel behaagde, ende<lb/> die ten hoogsrten prees; om daar en teegen sijne dunne<lb/> Beenen aansiende, die ten meesten te veragten; als niet<lb/> wel oover een koomende met sijnen schoone lighame, en-<lb/> de insonderheid niet wel vougende by sijne ooverschoo-<lb/> ne groote ende wel-getakte Hoornen. Dog terwijle hy<lb/> met deese gedagten bevangen was, wierd hy door het<lb/> <pb n="embstma_add132_fac441"/> geblaas, geblaf ende geruis der Iaageren ende der Honden<lb/> seer verschrikt, ende ontliep hy die allen in oopenen<lb/> Velde seer ligtelik, door de geswindigheid sijner Beenen;<lb/> tot dat hy in den digten Bosse quam, alwaar hy door de<lb/> swaarte sijner Hoornen vermoeid zijnde geworden, als ook<lb/> insonderheid door de groot-ende getakt-heid der selven,<lb/> sulks in sijnen loope opgehouden, belet, ende in die tak-<lb/> ken der boomen ingewikkeld wierd, dat hy, meenende<lb/> sig aldaar te verbergen, het selven niet konde doen, maar<lb/> middeler wijle van den Honden afterhaald, verscheurd,<lb/> ende gedood wierd, Als wanneer hy niet dan door dee-<lb/> se laatste ende al te laate ondervindinge wijser geworden<lb/> zijnde, met sijnen stervenden monde deese sijne laatste<lb/> woorden uitsugte: ,, Ag my ellendige, die het schoone bo-<lb/> ,,ven het nutten hebbe gesteld, ende nu niet dan als het<lb/> ,, te laat is, bemerke, hoe dwaaselik ik hebbe gepreesen<lb/> ,,de Hoornen, die my alsoo beswaarelik als schadelik zijn,<lb/> ,,ende daar en teegen veragt hebbe de Beenen, daar waa-<lb/> ,,relik alle mijn behoud in bestaan soude, indien ik die<lb/> ,,wel hadde weeten te agten ende te gebruiken,<lb/> </p> <p>Uitlegging der Woorden.<lb/> De Ouden hebben verstaan met een Hert, een<lb/> Mensch van seer kleine kennisse, ende by gevolge<lb/> vrees-ende pronk-agtig.<lb/> Met HOORNEN, kostelijke, onnutte ende schaadelijke<lb/> Cieraaden, ofte Menschen die anderen beswaaren.<lb/> Met BEENEN, de Suilen ende Gronden van welvaaren<lb/> der Menschen, ofte de gemeene Vryheid der Ingeseetenen.<lb/> <pb n="embstma_add132_fac442"/> Met JAAGERS ende HONDEN, de groote Teegenspoe-<lb/> den, welke de Menschen in haar leeven ontmoeten, of<lb/> wel Tyrannen, die een Vrye Republik verkragten.<lb/> DAt de Menschen sig selven behoorden te ondersouken, om<lb/> te weeten wat naar Siele ende Lighaame in haar loffelik, pro-<lb/> fitelik,? ende aansienelik ofte schoon is; ende wat daar en teegen<lb/> in haar waarelik lastig, schaadelik ende vuil of leelik is, hebben<lb/> wy, by geleegendheid van andere FABULEN, breeder voorge-<lb/> draagen; nu is ons voorneemen, te reedenkaavelen oover die<lb/> Menschen ende Staaten, welke soo verre van der waare kennisse haa-<lb/> res selfs afgedwaald zijn, dat sy het gunt haar waarelik lastig ofte<lb/> schadelik is, wenschen ofte tragten te verkrijgen; ende ook veel<lb/> hooger agten dan alle het gunt waarelik tot haar eigen welvaaren<lb/> ende behoud dienstig ofte noodsaakelik is.<lb/> Onder welke Saaken, die ons schaadelik konnen zijn, ende<lb/> welke by gevolge ondersogt behoorden te werden, of ons in soo-<lb/> daanige tijden ende geleegendheeden waarelik niet lastig ende<lb/> schaadelik sullen weesen, wy altijds behoorden te stellen de naa-<lb/> volgende Saaken: de Magt der Regeeringe oover Landen ende Steeden<lb/> te hebben: Amten van Staat ofte van Oorlooge te bedienen: Welspre-<lb/> kenheid, Sterkte ende Schoonheid van lighaame, als ook veele goederen<lb/> te besitten: Wijd vermaard ende seer beroemd te zijn: Lang te lee-<lb/> ven ende oud te werden: Een Ee-gaade het zy Man ofte Wijf en-<lb/> de Kinderen te hebben, Etc. Alsoo alle die saaken den Besitteren<lb/> van dien veeltijds warelik de eenige oorsaak geweest zijn ende al-<lb/> tijds weesen konnen, van hare smerte, ondergang, verderf ende<lb/> dood, gelijk Juvenalis het selven bysonderlik aanwijst in sijn tiende<lb/> Schimpdicht; ende wy ons derhalven daar van onthouden.<lb/> Ende in teegendeel soo behoorde ons altijds indagtig te zijn,<lb/> dat ons niet schaaden konnen, ende wy by gevolge niet te veel<lb/> konnen wenschen, begeeren ende besitten, de volgende Saaken.<lb/> Alleen op God Almagtig ende op sijn Goddelik bestier te betrou-<lb/> wen, ende middeler wijle van hem te bidden, dat hy ons geeve<lb/> een welbestelde Siele, ende de selve vereenige met ofte doe woo-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac442"/> nen in eenen gesonden ende welgestelden lighaame, sonder de schei-<lb/> dinge van dien ofte onse dood te vreesen: ende dat hy ons liever<lb/> doe ondergaan, ende gewillig op ons laaden alle ongemakken<lb/> deeses Weerelds, als dat wy een eenig schelmstuk teegen iemanne<lb/> begaan, ofte ons aan onse eigene vleesselike Wellusten oovergeven,<lb/> ende ons daar meede besoedelen souden.<lb/> Aldus voorgedraagen hebbende, hoe deesen aangaande waare-<lb/> lik de Menschen gesind behoorden te weesen; Soo staat ons wij-<lb/> ders aan te merken, hoe de selven, des niet jegenstaande, ten<lb/> meestendeele bevonden werden. Ende om denk sinne onser FA-<lb/> BULE wat naarder te koomen, soo seggen wy, Dat in het ge-<lb/> meen de Menschen, ende insonderheid die van kleine Kennisse en-<lb/> de vrees-agtig zijn; ook al het gunt mooi, aansienelik, beroemd<lb/> ende heerlik is: ofte ook alle het gunt bequaam is ofte gehouden<lb/> werd te wesen, om andere Menschen te beschadigen, veel meer te<lb/> agten gewoon zijn, dan het gunt haar warelik sonder die luister,<lb/> dienstig, profitelik, ende noodsaakelik is,<lb/> Als meede waarhaftig is, dat die hoge agting der opgemelde on-<lb/> nutte ofte lastige saken, by haar so lange blijfd duuren, als die Men-<lb/> schen in dien stande zijn, dat sy die weinig geagte, dog dienstige, <lb/> profitabile, ofte noodsakelike dingen, niet daadelik nodig ende te<lb/> gebruiken hebben. Ende is het daar en boven waarhaftig, dat die<lb/> quaade voor-oordeelen by die Menschen blijven duuren, niet jegen-<lb/> staande sy door veele haare kleine voorvallen het teegendeel van<lb/> dien hadden behooren te leeren; tot dat sy sig in soo eenen stan-<lb/> de bevinden, dat die seer aansienelike ende lastige Saken haar geheel<lb/> verderf veroorsaken. Als wanneer sy eerst ten regte beiden de scha-<lb/> delikheid der eene, ende de nuttigheid der anderen bemerken.<lb/> Eeven gelijk het Hert onser FABULE eerst op den Seestrande,<lb/> daar na in den Wijngaarde, als ook in der Stalle, door de hoogte <lb/> sijner Hoornen ontdekt, ende alleen door de geswindheid sijner<lb/> Beenen behouden werdende; daar naa des niet te min sijne Hoornen<lb/> alleen, om dat sy aansienlik ofte groot waren, ende dat hy scheen<lb/> daar meede andere Dieren te komen beschaadigen; veel hooger<lb/> schat als sijne dunne Beenen, waar meede alleen hy sig selven te<lb/> meermaalen uit doods benaawdheeden geredded had, ende nog<lb/> stond te redden. Sulks waarelik die quaade voor-oordeelen soo-<lb/> <pb n="embstma_add132_fac445"/> danigen Menschen gemeenelik soo lange by blijven, en haar soo wijd<lb/> vervoeren, tot dat sy eindelik door haare lastige pragt ende praal,<lb/> als ook door hare bequaamheeden, om andere Menschen wel te kon-<lb/> nen jaagen, beschaadigen, verongelijken ende met Processen quellen,<lb/> dog selfs onderwijlen niet stille staande, hoe noodsaakelik het is, dat<lb/> men eerder en meer tragte te bekomen de middelen om sig te be-<lb/> houden, als om aansieneliker ofte heerliker te leven, ende eenen ande-<lb/> re te konnen beschadigen: of wel, als dan begrijpen sy eerst, hoe<lb/> dienstig het in alle ons leven is, dat wy de Saaken, waar door wy<lb/> ons geneeren konnen, en behouden moeten werden, meer en hoger<lb/> agten, als die Saken, welke seekerlik ons seer lastig sullende wesen,<lb/> des niet te min in onse oogen seer aansienelik ende heerlik schijnen.<lb/> Ende gelijk wy dit daageliks sien in bysondere Menschen, soo<lb/> behoorden wy het selfden ook wel te konnen sien, omtrend de Saken<lb/> van Regeeringe, en den gemeenen Staat van Landen en Steeden: waar van,<lb/> hoewel wy oneindelik veele exempelen souden konnen aanhalen, so<lb/> sullen wy des niet te min, met weinigen ons genougen, dat trotse<lb/> hoornen min als dunne beenen geagt behoorden te werden.<lb/> Naamelik, wanneer het vrye Volk van Israel het beloofden Land in-<lb/> genoomen had, ende puurelik op den Landbow bestaande, der-<lb/> halven alles sins behoord had oorloogen tegen sijne Nabuuren te<lb/> vermijden, en te ontgaan, ja te ontvlugten; en dat sy ook soodanig<lb/> drie hondert twee en tagtentig Jaren, meest in Vreede ende Vryheid,<lb/> sonder eenige opper-Hoofden, dan alleen in oorlogs tijden, onder mag-<lb/> telose Regteren, t'elkens voor eene reise gekooren, bestierd waren ge-<lb/> worden, so mishaagden haar die dunne Beenen der Regteren, waar mee-<lb/> de sy de ongemakken van haar leeven soo meenigmaalen ontgaan<lb/> waren, ende begeerden sy die seekerlik lastige dog doorlugtige ende<lb/> schoon-schijnende Hoörnen, ofte met eenen woorde gesegt, ge-<lb/> kroonde Koningen ofte Vorsten, waar meede sy scheenen haare naa-<lb/> buuren beeter te konnen steeken ende te beoorloogen. Maar lei-<lb/> der! hoewel sy seer haast bevonden, dat die Koningen ofte Vorsten<lb/> haar seer lastig waaren, soo wierden sy daar door niet wijser, toe<lb/> dat sy eindelik door hare Koningen ofte Vorsten van binnen verteerd;<lb/> ende van buiten in veele oorloogen teegen hare Naabuuren inge-<lb/> wikkeld zijnde, eerst in de Tien stammen, ende daar naa ook in de<lb/> <pb n="embstma_add132_fac445"/> Twee andere, met hare Koningen, als so veele Slaven naar vreemde Lan-<lb/> den wierden vervoerd. Ende door die allerhardste slaagen wij-<lb/> ser geworden zijnde, soo leefd men ook, dat sy daar naa, omtrend<lb/> drie honderd Jaaren naa een, sonder die schoone Koninglike Hoor-<lb/> nen, ten tijden der Machabeen, in Vryheid geleefd hebbende, ein-<lb/> delik door haare onderlinge heerssugt, tweedragt ende scheuringen,<lb/> quaamen te vervallen onder het geweld der Romeinen, voor wien<lb/> by naast de geheele Aardboodem moest bukken.<lb/> En zijn wy by naast eeven dus gevaaren in deese Landen, als wanneer<lb/> de Bataviers, wel eer levende in volkomene Vryheid, wy ons daar na niet<lb/> hebben vergenougd met Jaareliks te kiesen soo magteloose Graven,<lb/> dat sy sig ook moesten vergenougen, door hare aanklagt in onse Re-<lb/> publike, van binnen de ruste ende vreede te betragten, ende al-<lb/> le oorloogen teegen haar naabuuren te ontgaan. Maar wy heb-<lb/> ben daar naa allangs begeerd ende verkreegen magtiger Graaven<lb/> voor haar geheel leeven, die de Vrye Hollanders hebben beginnen te<lb/> dwingen, ende gelijk dese hoornen den Herre, ook den Hollanderen ten <lb/> verderve zijn geweest.<lb/> Ende hoewel wy somtijds van die Tyrannen ofte Dwingelanden verlost<lb/> werdende, door onse oude Beenen, de Republik wederom in volkomene<lb/> Vryheid souden hebben konnen stellen; als na het dooden des Graven<lb/> Floris in den Jare 1296. na het afsterven van Grave Jan, in den Jare<lb/> 1299. van Willem, in den Jare 1345. van Karel, in den Jare 1477.<lb/> Soo hebben wy des niet te min liever gewild, ons teegen der<lb/> selven Graaven afkoomelingen geweld te voorsien met papiere har-<lb/> nassen, ende eer wy die voor onse Graaven erkenden, te bedin-<lb/> gen onder die verkeerde Naame van Privilegien, by naa nietwes,<lb/> dan het gunt door de Natuurelike Billikheod, aangeboorene Vryheid,<lb/> ende onse oude Gewoonten, ons eigen Regt was; ende waar op<lb/> die Tyrannige ofte dwingende Graven seer veel hadden geusurpeerd;<lb/> sulks alle onse so genaamde Gravelike Privilegien, by na niet wes anders<lb/> in houden, dan eene ydele belofte, dat sy sig voortaan van die usur-<lb/> patie ofte Dwingelandie aldaar gemeld souden wagten. Naamelik,<lb/> aldus bedongen wy van Vrouwe Margareta van Bejeren, die groote<lb/> Privilegien van Noord-ende ook van Suid-Holland, ende van Vrouwe<lb/> Maria van Bourgondien het groot Privilegie van Holland ende Seeland.<lb/> Ende hebben wy, alsoo die Graavelike Hoornen weeder op onsen<lb/> <pb n="embstma_add132_fac446"/> koppe settende, daar door die Houkse ende Kabbeljauwse, als ook de<lb/> Kaas-en Broodse beroerten op onse halsen gehaald; Tot dat onse aller-<lb/> doorlugtigste ende lastigste Hoornen uit den Huise van Oostenrijk, onse In-<lb/> geseetenen in gedurige buitenlandse oorlogen inwikkelende, ende<lb/> ons van binnen ten uitersten schattende, ende de aller-aansiene-<lb/> liksten, als ook de aller-deugdsaamsten Ingeseetenen naar Siele en-<lb/> de Lighaame vervolgende ende plaagende, daar door onse Landen<lb/> ende Steeden in het geheel stonden te verwoesten, ten waare de<lb/> Staaten van den Landen sig daar tegen kloukmoediglik gesteld, en-<lb/> de den Graave afgeswooren hebbende, eindelik nog door de Tiran-<lb/> nien des Hertogen van Anjou ende des Graaven van Lycester geleerd<lb/> moesten werden, dat alle soodaanige magt, wanneer die in eenes<lb/> Menschen handen mogte by een gevougd ofte gesteld werden, den<lb/> Landen, Steeden, ende Ingeseetenen ten hoogsten verdervelik sou-<lb/> den weesen.<lb/> Ende geeve de goede God, dat der selven Naakoomelingen nooit<lb/> soodaanige Doorlugtige ende Schoone, dog lastige ende schade-<lb/> like Hoornen, weeder op haare hoofden haalen, als haare Beroem-<lb/> de Voor-Ouders in den 1581. seer loffelik afgeswooren hebben.<lb/> Ende meenen wy dit te zijn den eigendlijken sin deeser onser<lb/> FABULE.<lb/> </p> |
| SEQ |
71 |
| PARENT |
embstma_add132 |
| HIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| URL_IMAGE |
embstma_add132_pic439.jpg |
| TIPE |
emblempictura |
| NEXT |
embstma_add132_emblem070 |
| IIHIM |
FABLES GUL MNE EMBLEMS ILL_BOOK |
| CAPTION_EN |
reserved for caption |
| SOURCE_FILE |
embstma_add132.xml |
| MOTTO_NL_NORM |
Die het mind en kend het niet. Die het kend en mind het niet |
| LINK_FACSIMILE |
embstma_add132_fac439 |
| MOTTO_LA |
<p>Pauci dignoscere possunt vera bona, atque illis<lb/> multum diversa. Juven. Satur: 10</p> |
| TYPE |
emblem pictura |
| PREV |
embstma_add132_emblem068 |
| MOTTO_NL |
<p>Die het mind en kend het niet.<lb/> Die het kend en mind het niet.</p> |
| ID |
embstma_add132_emblem069 |
| MOTTO_LA_NORM |
Pauci dignoscere possunt vera bona, atque illis multum diversa |