$ TEXT_EXPL_XML
75. De Goden ende een Afgoden-dienaar.
EEn Heidens mensch in oude tijden, by de Griekse en-
de Latinse Poëten geleesen hebbende, dat haare Goo-
den in den beginne der eerste Scheppinge des Aardboo-
dems, de Menschen, ende alle de Beesten, wonder wijs-
selik naar hun gelieven geschaapen hadden; ende dat sy
haar ook van tijden ten tijden geluk ofte ongeluk deeden
ooverkomen; kreeg daar door van den selven, ende in het
bysonder van Jupiter, die gesegt wierd den Heemel te be-
dat hy van, ende voor Iupiter een Beeld ende een Altaar
opregte; ende dat hy daar aan daageliks, met vreese en-
de beeven genaakende, ietwes van sijne goederen offerde;
ten einde die Iupiter hem rijk en geluksaalig wilde maken.
Dit aldus eenen tijd lang geduurd hebbende, soo be-
vond dit Heidens Mensch, dat hy onderwijlen, ten dee-
le doo sijne gedaane Offerhanden, ende ten deele,
om dat hy meer op Iupiters bystand, als op sijnen ei-
gen arbeid ende sorgen, betrouwd had, allangs armer of-
te ongelukkiger geworden was: weshalven hy als dan eerst
de Schriften die van den Gooden handelden, naarder on-
dersoukende, aanmerkte, dat opgemelde Poëten ende
Schrijvers van hunne Gooden niet alleen soodanig spraken,
als of het Menschen waaren geweest, die seer in kennisse
ende groote deugden boven andere Menschen hadden uit-
gesteeken: Maar dat die Goden ook somtijds uit onweeten-
ofte vergeetelheid sig vergreepen hadden; ende dat sy daar
en boven veeltijds voorbedagtelik door hoererie ofte oover-
spel, door dronken drinken, bedriegen, liegen, mein-eedig
te zijn, ofte door eenen gulden reegen ende geld te schie-
ten, hun voorneemen bekoomen, haare geile lusten met
Mannen ende Vrouwen versaadigd, als ook veele Men-
schen beschaadigd hadden.
Sulks ons Heidensch mensch allangs mindere gedagten
van die Gooden krijgende, voor nam te ondersouken, of
de vermaardste van allen, al-weetend ende ook al-magtig
was; Hy voer dan naar Delfos, ende vroeg aldaar Iupi-
ter Hammon, of het Musken, welk hy in sijne handen be-
slooten hield, leevendig ofte dood was meenende, in-
dien geantwoord wierd, leevendig, het selven aanstonds
dood te drukken, ende alsoo te vertoonen; Of indien ge-
op dat alsoo Jupiter ende sijne Priesters van onweetenheid
mogten werden oovertuigd. Maar ons Mensch kreeg tot
antwoord, leevendig ofte dood, soo gy wild. Ende be-
sloot hy daar uit, dat by Iupiter ende sijnen Priesteren,
wel eene menschelijke doortraptheid was, om niet ligte-
lik afterhaald te werden; maar dat hy seekerlik niet Al-
magtig was: alsoo hy anders sins het Musken in weeder-wille
van hem, naar sijn gelieven leevendig ofte dood had kon-
nen doen vertoonen, en hem selfs alsoo beschaamd maken.
Sulks hy besloot, den Gooden voortaan geene Offer-
handen ten sijnen schaade te doen. Ende beloofde hy
Iupiter in gevolge van dien, te sijnen huise klouk ende
gesond weeder gekeerd zijnde, op te offeren; niet een
gedeelte der goederen die hy besat, ofte door sijnen ar-
beide verkrijgen soude; maar wel de halft van alle het
gunt sy onder weege by geluk ofte der Gooden bestier,
mogte konnen te vinden. Ende gelukte het hem ook kort
daar aan, in sijnen weegte te vinden eenen reis-sak, ver-
vuld met Daadelen ende Amandelen, welke hy niet ver-
suimde onderweegen alle te veroorbooren, ende te sijnen
huise gekoomen zijnde, aldaar sijnen Beelde van Iupiter
op te offeren alle de steenen der Daadelen, ende alle de dop-
pen der Amandelen: seggende den Beelde, hier hebt gy
het binnensten met hem buitensten, ende mitsdien de halft
van allen het gunt ik gevonden hebbe.
Ende als eindelik die Heidense mensch daar na nog meer
sag, dat hy, niet jeegenstaande sijne veel-vuldige gebee-
den, jaa des te meer door sijne Tijd-quistinge in die on-
nutte gebeeden te storten, nog armer wierd: Soo ontstak
hy in yvere, ende verbrak hy het houte Beeld: als wan-
neer hy daar binnen in seer veele verborgene goude pen-
ningen vond, ende luid keels uitriep: ,, Nu sie ik eerst
,,ten regte, hoe schadelik het is den Afgooden te dienen;
,,ende hoe voordeelig het zy, de selven te veragten, en-
,,de haare Beelden te verbreeken.
Uitlegging der Woorden.
Alle woorden deeser FABULEN zijn gesprooken in den
eigendlijken gemeenen sinne, ende vereissen derhalven
gene bysondere Uitlegginge.
OOvermids van ouds, ende ook nu nog onder den Geleerden seer is
getwist, en dageliks getwist werd, wat eigendlik een Afgod, Af-
goodery ofte Afgooden-dienst zy, en dat selfs onder den Christenen eenige
Secten van dien werden gevonden, welken yverig ontkennen daar aan
schuldig te zijn, en des niet te min van anderen daar meede beswaard
werden: Soo vereist nu deese FABUL, dat hier gesegt werde,
wat wy daar meede verstaan: alsoo anders sins onse Reeden-kaa-
veling daar omtrend duister, ende voor den Leesere onnut soude
weesen. Namentlik, alsoo nieman kan weeten wat een Afgod zy,
sonder al vooren te weeten wat een God is: soo seggen wy, dat wy
met den woorde God verstaan een soodanig volmaakt Weesen, dat daar
in gants gene gebreeken, maar in tegendeel alle bedenkelike volmaakt-
heeden begreepen zijn; ende dat die noodwendig te gelijk by een,
van alle ende in aller eewigheid geweest, nog zijn ende sullen
blijven; sonder eenige veranderinge. Om dat alle bedenkelijke
volmaaktheeden soodaanig te besitten, Goode soo eigen is, dat wy by
ofte van den denkbeelde, welke wy van Gode hebben, a met onse gedag-
ten gants geene volmaaktheeden daar by vougen, ende weder daar van
afscheiden, ofte eenige onvolmaaktheeden ende gebreeken daar by vou-
gen konnen, sonder dat denkbeeld in ons, geheel te vernietigen; en-
de in steede van dien in onse Herssenen te smeeden, een teegen
sig selfs strijdend versiersel, het welk waarelik buiten onse Hersse-
nen ende gedagten gants geene Weesentlikheid b heeft, ofte heb-
ben kan: maar waarelike eene Niet is. c
dat een soodaanig ons versiersel een Goddelik weesen verbeeld; soo
meenen wy, dat hy van dat sijn eigen versiersel een Afgod maakt.
Ende indien hy het selven versiersel sijner herssenen eerd, bemind, ofte
vreesd; ende daar van ietwes goeds hoopt, ofte quaads vreesd, bid,
ofte arbeid: Soo meenen wy ook, dat hy als dan Afgoodery begaat,
ende van sig selven eenen Afgooden dienaar maakt.
Van welken Afgooden-dienaren niet te min seer veel verschillen die
Menschen, welke van Goode niet dan een seer duister denkbeeld, welk
des niet te min eene waarhaftige Goddelike Eigenschappen met
hare gedagten af scheiden, ofte eenige onvolmaaktheeden ende ge-
breeken daar by vougen, ende alsoo eenig teegen een strijdend
Versiersel in haare gedagten veroorsaaken.
Gelijk een yder Goodes oneindelike Volmaaktheid ooverdenken-
de, by sig selven bevinden kan, dat Goodes Weesen onverdeeld wee-
sende, geene toevalligheeden onderhaavig, is.b Ende dat wy des
niet te min met ons onvolmaakt verstand op dat Goddelik Weesen
denkende, wy ons niet meer dan eene eenige Eigenschap van dien,
te gelijk voorstellen, ende verbeelden konnen; ende dat wy daar
beneevens die eene niet; wy laten staan alle Goddelike Eigenschap-
pen, in der waare diepte ende breedte,c begrijpen konnen.
Gelijk wy ook bevinden, dat wy ons selven met goede reedenen
verheugen, ende ons verwonderen moeten, als wy van dat Godde-
lik Weesen ietwes het minsten, ten regte verstaan: alsoo dat minsten
eene waare aanleiding geeft, om alle de andere Goddelijke Ei-
genschappen ook te konnen verstaan.
Geheel anders is het gesteld met den Menschen, alsoo by der
selven bepaald Weesen, veele toevalligheeden d konnen zijn, ende
ook afweesen; sonder dat hun Weesen in sig selfs, ofte het denkbeeld,
dat wy daar van hebben, vernietigd, ofte in een versiersel veranderd
werde. Hoewel de Menschen door die toevallen geduurige ver-
anderingen onderworpen zijn, ende wy ook naar ons gelieven nu
op eene menschelike toevalligheid, ende dan weederom op het ei-
gentlik Weesen der Menschen denken konnen; tot dat die Mensch
komt te sterven.
De Goddelike ende ook de Menschelike Saaken op deeser wij-
se door eenen Denkbeelde in onse gedagten ofte Herssenen komen-
de, ende ook aldus buiten onse gedagten ende Herssenen, waare-
ende daade-lik a gesteld weesende: Soo volgd van selfs, dat de
Afgooden-dienaars, als bouwende op eener dwaalinge, op eenen ver-
siersele, op eenen niet, van allen goeden gronde, om daar op te
konnen bouwen ende daar van ietwes goeds te verwagten, ofte
voor den quaade verseekerd te weesen, ontbloot zijn. Ende dat
sy des niet te min aan dat niet haare Lof-sangen, Gebeeden, ende Dank-
seggingen stortende, ofte haar Offerhanden doende, behoorden te
weeten, dat de Priesters van dat niet, waarelik die Offerhanden
meest weg dragen, immers dat die onweetende, vreesende Men-
schen, welke die Offerhanden doen, door die Offerhanden ook ge-
meenelik plagten verarmd te werden.
Gelijk meede daar uit volgd, dat warelik den Afgooden-dienaa-
ren, hunne ongerustheid des gemoeds niet ontnoomen, nogte hun-
ne arremoede voorgekoomen kan werden, dan met de Afgooden soo
verre te veragten, dat sy den selven geene Ofterhanden meer doen
willen.
Sulks eindelik wijders daar uit ook volgd, dat die selve Men-
schen geene volkoomene gerustheid des gemoeds, met bygevoug-
de Rijkdommen verkrijgen ende behouden konnen: dan met het
Beeld des Afgods, dat is het versiersel hunner herssenen te vernieti-
gen, ende met daar en tegen een denkbeeld van den waarhaftigen God
formeeren, ende vastelik vertrouwen, van den al-wijsen, onein-
delik goeden, ende al-magtigen Goode, alles goeds te sullen verkrij-
gen, ende ook van allen quaaden te sullen werden beschermd, be-
vrijd ofte verlost. Eeven gelijk de Afgooden-dienaar onser FABU-
LE, eerst aan de kraften sijnes Afgods twijfeld, daar naa sijne Of-
ferhanden inne houd, ende eindelik des selven Beeld in het geheel
verbrijseld hebbende, met veele Rijkdommen vervuld werd.
De heilsaamheid van op den waaren Almagtigen eenigen God te
betrouwen, ende de schaadelikheid van in sijne herssenen Afgoo-
den te versieren, te maken, te vreesen ende te dienen, aldus voor-
scherpsten ende in het breeden te ondersouken, ende aan te wij-
sen, of ende welke nu onder de bekende Volkoren, jaa selfs on-
der de genaamde Christenen, Afgooden-dienaars gevonden werden.
Maar ons voorneemen van alleen FABULEN met weinige woor-
den te verklaaren, laat dat niet toe. Sulks wy deesen aangaande,
niet dan kortelik sullen aanwijsen, dat de Rooms-gesinde Christenen
veele teegen een strijdende versierselen in haare herssenen gesmeed,
ende gemaakt hebben, die sy eeren, vreesen ende dienen; ende
ook andere Menschen met gewelde ten geloove op te dringen trag-
ten. Welke wijse van een geloof waarelik voort te setten, alsoo
ongerijmd ende teegen een strijdende is, als hun geloof selfs.
Naamelik, de tegen een strijdende versierselen, die wy in de Roomse
Kerke meenen te sien, zijn dese: dat de Paus van Romen naar Lighaam
en Siele, een gemeen Mensch zijnde, des niet te min in sijne mee-
ningen omtrend Saken van den Godsdienst, onfeilbaar? is. a Dat God
Almagtig, die een God van ordre is, door de ooverblijfselen, het zy van
lighaame, het zy van kleederen der afgestorvene Heiligen, b ja selfs
door de Beelden der selven, wanneer die Heiliglik gediend ende
ge-eerd werden eenige wonderen, c dat is Saken sonder genougsame
en bequame oorsaaken, ja selfs op de eene plaatse meer als op de an-
dere soude willen doen. Dat sy wetenm dat de Heiligen die afgestor-
ven, ende door den Pause Heilig te weesen verkondigd zijn, des
niet te min onse gedagten weeten, ende onse gebeeden verstaan.
Dat uit krafte van vyf woorden, door eenen Rooms Priester pleg-
tiglik oover een stukjen Broods gesprooken, d het selven in een
geheel menschelik Lighaam verwandeld, jaa God Almagtig selver
soude geworden zijn: Ende dat soo een geheel menschelik lighaam
des niet te min door eenes anderen Menschen mone, in des selven
mage, welke dog kleine deelen onses lighaams zijn, verswolgen ende
begreepen ofte beslooten soude konnen werden, en dat by gevolge
wy geloven konnen, dat het Deel grooter soude konnen wesen als het
der Rooms-gesinden, niet dan eene gedurige ontsteltenisse ofte verwer-
ringe van gedagten, vreese en schrik voor den Vageviere en der Helle,
niet alleen, maar ook insonderheid voor den Sieken ende Siel-toogen-
den, ofte voor de ooverleevende veroorsaaken konnen, wanneer
hare Priesters daar by leeren, ende den Menschen konnen doen ge-
looven, dat door den Priesteren ofte haare Gebeeden, ende ook door
Siel-missen, die nieman dan een Priester doen mag, ende sal, mits
eenige Penningen genietende, de afgestorvenen uit den Vageviere ver-
lossen konnen, ende sonder geld-schietinge niet sullen.
Ende oovermits de Souveraine ofte opperste wettige Regeerders
eenes Lands, ook waarelik Gooden in de Heilige Schriften werden
genaamd. a Soo moet ook daar uit volgen, dat alle Onderdanen,
welken soo eene groote magt werd opgdraagen, ofte welke tot soo
eene groote magt indringen ofte sig laten indringen, dat die magt
door den Souverain niet weederom ingetrokken kan werden: ofte
dat ook soodaanige Onderdaanen ende Dienaaren van Staat, wel-
ke de Wetten des Lands, ofte der Republike Handvesten ver-
treeden konnen, sonder daar oover door de Souveraine Ooverigheid
vaardiglik gestraft te konnen werden, waarelik in die Republike
der aller-ondeugensten ende ook der aller-onweetenste Ingeseetenen,
ofte Politike Afgooden zijn, en dat soo wel de als dan krafteloose Re-
genten ende Ingeseetenen, aldaar in geduurige twisten, verwer-
ringe, vreese ende sorgen ellendig moeten leeven, ten zy die
Afgod verbrooken werde, ende de wettige Souveraine Regenten als
dan haare kraften soo wel hervatten, dat sy de Wetten ende Hand-
vesten der Landen ende Steeden, van allen Onderdaanen ofte In-
geseetenen, hoe groot die ook weesen mogen; konnen doen ge-
hoorsaamen ende ook naar koomen: Ende de Overtreeders, ofte
Verbreekers der Wetten, oude loffelike Gewoonten, ende der Hand-
Vesten, naar inhoude der selven konnen doen straffen.
Wat de eigendlijke Leer onser FABULEN zy, is onnoodig
hier op den einde gesegt, alsoo de sin van dien door onse voor-
gaande Reedenkaavelinge genougsaam blijkt.
Quod finxere timent.
TYPE emblem pictura PREV embstma_add132_emblem074 MOTTO_NLEn buig u voor geene vreemde Gooden, maar
verbreek ende vermorsel haare Beelden.
Exod. cap. 23.