$ TEXT_EXPL_XML
77. De Poffer ende Loogenaar.
EEn rijke Boer, die in sijner Jeugd als een Reiser, vee-
le vreemde ende verre afgeleegene Landen had be-
sogt, ende veele Jaaren naa een uitlandig was geweest,
eindelik weederom in sijnen Vaderlande komende, roem-
oovertreffelike Helden-stukken, die hy buiten des Lands
bedreeven had. Ende onder anderen swetste hy eenmaal
van eener soo uitneemende groote spronge, die hy tot
Rhodos soude hebben gedaan, dat geen der Inwooneren
van Rhodos hem het selfden had konnen naar doen. En-
de dat ook alle de Rhodiensen dat geseiden souden met der
waarheid konnen, ende ook willen betuigen. Ende alsoo
eener uit den geselschappe daar op uit schoot:,, Mijn lie-
,,ve Vriend! indien het gunt gy segt, waarhaftig is, soo
,,behoufd gy geene getuigen om ons sulks te doen geloo-
,,ven; maar is noodig, dat gy het metter daad bewijsd;
,,Denk derhalven, dat hier Rhodos is, ende wy Rhodien-
,,sen zijn, die getuigenisse van uwe oover-groote spron-
,,gen sullen geeven, doed die maar, ende wy sullen toe-
,,sien. Deese Poffer dus in sijne woorden gevat zijnde,
ende geene grootere sprongen als gemeen konnende doen,
ofte dervende onderneemen te doen, wierd van allen den
toehoorderen uitgelaggen, soodanig, dat hy met schaam-
te uit der vergaaderinge moest gaan.
Ende dit gerust oover den gantsen Lande verspreid
werdende, soo konde hy voortaan in geene geselschappen
komen, ende aldaar eenig woord voeren, sonder aanstonds
bespot ende uitgelaggen te werden. Het welk hem soo
verdrietig viel, dat hy voornam eensaamer als voor heen
te gaan leeven, ende voortaan sijne Schaapen niet meer
door eenen andere, maar selfs dageliks op der Heiden in
sijner eensaamheid te drijven, ende aldaar voor den Wol-
ven te hoeden. Dit aldus eenen korten tijd gepleegd heb-
bende, ende sijne gewoonte van liegen niet verleggen
konnende, soo viel hem in den sinne een middel om daar
de geenen, welken hem van te vooren bespot ende uit-
gelaggen hadden; hy veinsde derhalven, dat eenige VVol-
ven waaren gekoomen, om sijne Schaapen te rooven,
ende riep ooverluid:,, Help goede Buuren, help! want
,,de Wolven willen mijne Schaapen eeten. Nu is het my
,,ernst, help! op dat ik het hier naa u ook doen moge.
Sulks de selve Buuren seer haastig toegeloopen zijnde, al
weederom van dien Loogenaare bespot ende uitgelaggen
wierden. Dog als eindelik gebeurde, dat waarelik seer
veele Wolven op hem ende sijne Schaapen aanvielen, ende
hy met waarhaftige traanen in den oogen, seer erbarme-
lik riep:,,Kom nu lieve Buuren, kom nu niet alleen mij-
,,nen Schaapen, maar ook my ten hulpe, want seer veele
,,Wolven sullen anders sins my ende mijne Schaapen ee-
ten. De Buuren dit hoorende, meenden, dat hy haar
als voor heen bedriegen, bespotten, ende uitlaggen wil-
de: waarom ook elk ten sijnen huise bleef.
Sulks die Harder?, terwijle die Wolven alle sijne Schaa-
pen verslonden, ter naawer nood bossewaarts den Wolven
ontvlugte, met op eenen Boome te klimmen ende af te
men zijnde, schaamde hy sig weeder by den Menschen
te gaan, om van den selven, welke hy bespot had, ge-
ende arremoede onderstand te bidden: Weshalven hy in
den Bosse al dwaalende, hongerig ende kout zijnde, om-
me sworf, soukende naa eenige Aard-ende Boom-vrug-
ten, als ook naar eenig hol, om sijnen buik te konnen
versaadigen, ende sig in den kuile te bergen, ofte te verwar-
men. Als wanneer hy te sijnen gelukke ontmoete een
goed-aardige Satyr, die meede-doogen met den hongerigen
kouden Menschen hebbende, hem ten sijnen huise noodigde,
ende derwaarts leidende, onderwijlen sag, dat hy t'elkens
in sijne handen blies, weshalven hy vroeg, waarom sulks
geschiede? ende ten antwoorde kreeg, Om de handen te
verwarmen. Deese Satyr daar naa den Mensche aan ta-
fele seer heete spijse voorgeset hebbende, sag weeder-
om, dat de selfde Man ook op de spijse bliesl sulks hy
hem ten tweeden maale vroeg, waarom hy dat deede?
ende als hy ook ten antwoorde kreeg, Om die spijse te ver-
kouden; soo voer die Satyr daar op uit in volgender wijse:
,,zijt gy een Mensch, die naar het u geliefd, heet ende
,,koud uit eenen monde blaasen kond, ende ook waare-
,,lik blaast, soo wil, nog kan ik met u eenige de minste
,,gemeenschap hebben. Vertrek derhalven aanstonds uit
,,mijnen huise. Sulks die Loogenaar in den Bosse nee-
vens de wilde Beesten, sijn kort ende onuitspreekelik el-
lendig leeven doorbragt.
Uitlegging der Woorden.
Met een REISER, ende met een SCHAAP-HER-
DER, hebben de Ouden verstaan, een be-
schaamde ende een onbeschaamde Loogenaar.
anders Broer simpel gesegt.
WY bevinden, dat de goede, wijse, ende Almagtige God, onser
Siele heeft ingestort a veele geneegendheeden ende begeerten,
welke als door geene voorgaande Reedenkaavelinge in ons veroor-
saakt werdende, aan den Weesen der Menschen ofte menscheliken aard
schijnen vast, ofte eigen te zijn. Als namelik is, onse begeerten om
liever te leeven als te sterven. Om ons lighaam te beschermen tegen alles,
waar van het staat gequetst te sullen werden. Om soo wel in ons
leeven, als ook naa onse dood, van andere Menschen ge-eerd te
werden.b Ons te verblijden ofte te bedrouven, wanneer wy geden-
ken ietwes goeds, ofte ietwes quaads gedaan te hebben.c Als ook
ons te verheugen ofte te treuren, als wy sien dat eenen anderen Men-
sche ietwes seer goeds ofte seer quaads oovergekoomen is, eeven of
wy aan beiden deelhaftig waaren, Etc.d Ende vougen wy einde-
lik daar by, om onser FABULE te naaderen, de begeerten om van
alle saaken de waarheid te weeten,e ende onse gedagten, die wy heb-
ben, aan andere Menschen te oopenbaaren, ende bedroufd te zijn, als
een ander ons liegd. Van het welken wy aldus Reedenkaavelen.
Onder Goodes Schepselen, waar meede wy eenige gemeenschap
hebben, zijn ons geene dan de Menschen alleen, bekend, welke
met eene denkende ende herdenkende Siele begaafd zijn. Ende mee-
nen wy de waar-ofte on-waarheid der Saaken, ten opsigte der Men-
schen, te bestaan, in de oover-een-komste ofte verscheidendheid van
der selven gedagten, met der Saaken, waar op sy denken, ende
mits dien haar die Saaken innerlik soodaanig verbeelden, als sy in der
a Instinctus Naturae.
b Stat sua quique dies breve ? irreparabile tempus.
Omnibus est vitae sed Eamam extendere Factis,
Hoe Virtutis opus. Horat:
c Se judice nemo nocens absolvitur. Iuvenal. Sat,13.
d Ut redentibus arrident sic flentibus adsunt,
Humani vultus si vis me flere dolendum est,
Primum ippsi tibi. Horat.
e Amicus Plato, Amicus Socrates sed magis tamen Amica Veritas.
ende goede God, beneevens die Reedelike Siele, daar en booven de
Menschen begaafd heeft met der bequaamheid, om alle haare ge-
dagten, welke sy van eenige Saaken hebben, onderling bekend te
maaken, door eenige woorden ofte teekenen, welke eene seekere be-
teekeninge hebben. Ende seggen wy, die woorden ofte teekenen
waar-ofte loogen-agtig ende vals te weesen, naar dat die, inner-
lik met onse gedagten oover een koomen, ofte daar van verschil-
len.
Ende is het niet min een gonstig Goddelik ingeeven, dat wy meer
geneegen ende meer verblijd zijn eene waarheid te spreeken ofte
gesprooken te hebben, dan eene Ioogen. Dog oopenbaard sig tus-
schen de waarheid te willen weeten, ende die ook te willen den
Menschen oopenbaaren eene seer groote verscheidendheid. Naa-
demaal wy altijds ende van alle Saaken, de waarheid moogen en-
de ook willen voor ons selven liever weeten, dat niet weeten;
om dat het ons wel baaten; maar niet schaaden kan, die waar-
heid voor ende in ons selven ontdekt, ende uitgevonden te heb-
ben: Ende dat wy daar en teegen ons geneegen vindende, eeni-
ge waarheeden aan onse eeven naasten te oopenbaaren, alvoorens
behoorden wel te ooverleggen, of het ons, ende den selven nut
sal weesen, hem die waarheid geoopenbaard te hebben, dan of
hem ende ons het selven schaadlik sal weesen.
Want indien wy, het oopenbaaren der waarheid, in dien stan-
de Saaken oordeelen onnut ende schaadelik te sullen weesen;
soo is het eene Saak, die sig selven leerd, dat het beeter ism die
kennisse te verbergen, ende die alleen voor Goode ende by ons te
houden, dan die te oopenbaaren.
Jaa dat meer is, uit den selven gronde volgd ook onweeder-
spreekelik, dat wanneer het verswijgen der waarheid niet genoug-
saam is, om het quaaden ons ende onsen eeven naasten te hou-
den, ende het goeden op ons ende op onsen eeven naasten te doen
needer daalen; ende dat wy waarelik meenen beiden door geen
ander middel te konnen vermijden ende verkrijgen, dan met loo-
gens te spreeken, die ten niemans naadeele strekken; dat wy als
dan die loogens te spreeken verpligt zijn. Hoewel wy het selven
genen, ende met eene geduurige geneegendheid, van liever de
waarheid te spreeken, dan te liegen, in dien sulks met de liefde,
die wy ons selven ende onsen eeven naasten schuldig zijn, konde
bestaan.
Ende zijn dit als dan de vermaarde ende waarhaftige * Heilige
Bedriegeryen, welke sy sonder eenige beswaaringe onses gemoeds,
geduurig gebruiken omtrend Menschen, die haarer sinnen niet
wel Meesters zijn, als Kinderen, Gekken, Dollen, Raasenden, Dron-
ken, Sieken, ende door toorne Verrukte Menschen; wanneer die,
door haar de waarheid te oopenbaaren, beleedigd, ende door ee-
nige loogens haar te doen gelooven, staan gebaat te werden. Ende
zijn deese opgemelde bedriegeryen niet die loogens, welke onse
FABUL bestraft: Maar het zijn die loogens, welke uit eigene ge-
neegendheid ende buiten alle noodsaakelikheid werden geloogen
Naamelik, wanneer men liegt, om te schijnen wonderlik veel te
weeten, ofte besogt te hebben. Of wel om andere Menschen te
verongelijken, te beschaadigen ofte te bespotten. Of wel, het
zijn die loogens, welke te spreeken, de Menschen in haare jong-
heid aangewend hebben, eer sy te regt konden bedenken, hoe
groot een quaad het zy, sig in het Ioogen spreeken te vermaa-
ken, alsoo die quaade oude gewoonte van liegen, den Loogenaaren
altijds by blijft, ende haar nooit, dan in den grave verlaat.
Ende zijn deese Loogenaars des te verfoejeliker, om dat sy niet
alleen haar Eeven-naasten misleiden, bedriegen ofte beschaadi-
gen: maar ook, om dat sy als de aller-ondankbaarste Menschen ver-
pligt zijnde, Goode dankbaar te zijn oover die aller-grootste wel-
daad, van haar bequaam gemaakt te hebben, tot den ommegan-
ge met andere Menschen, ende dat alle die bequaamheid hier in
bestaat, dat sy onderling haare gedagten konnen bekend maaken,
sy des niet te min, voor soo veel haar aan gaat, in teegendeel deese
groote gaave Goodes in haar genougsaam vernietigen, ofte onnut
maaken, ende soodaanig verderven, dat het waarelik ons veel
nutter is, ende ook aangenaamer behoorde te weesen, met domme
stomme Beesten, die ons niet bedriegen nogte beschaadigen, te ver-
oopenbaaringe hunner gedagten, van alle voorkoomende Saaken;
hebben verwisseld tegen eene konst, om andere Menschen, daar sy
meede omme gaan, te bedriegen en te beschadigen; ende welken dien
volgende sig ook ter, ende der verkeeringe, met reedelike Men-
schen alles sins onnut, ende gants onwaardig hebben gemaakt.
Want indiene waarhaftig is, het gunt de Oud-vaader Augustinus segt,
naamelik, dat het veel beeter is tot sijn geselschap te hebben ee-
nen bekenden Hond, dan eenen Mensche, wiens taale men niet
verstaat: Soo is nog veel meer waarhaftig, dat het veel beeter is
te verkeeren met Beesten, dan met Menschen, die haare taale ge-
duurig gebruiken, om Menschen, die met haar omme gaan, te
bedriegen ende te misleiden, soodaanig, dat sy door der bedroo-
genen ende mis-leiden schaade, haaren eigen-baat bejaagen sou-
den konnen.
Ende daar en boven soo werden die Loogenaars, hoe snel sy mee-
nen voor te loopen, veeltijds op der daad, van der waarheid in hun-
ne Loogenen afterhaald; ende daar oover van den Menschen be-
spot. Jaa dat meer is, die bekende Loogenaars veroorsaaken ook
ten hunnen eigen naadeele, dat, wanneer sy daar naa in ernste de
waarheid spreekenm ende gaarne van andere Menschen geloofd of-
te geholpen souden werden, sy nogtans geen van beiden verkrij-
gen. Eevn gelijk wy in onser FABULE sien, dagt de Ioogen.
agtige snorkende Reiser, niet jeegenstaande hy oover sijne groote
sprongen, alleen in Boeren-geselschappen roemde, hy efter aan-
stonds afterhaald ofte beschaamd werd: ende dat de Ioogen-agtige
seer erbarmelik roupende Harder, de waarheid spreekende, niet ge-
loofd werd, nogte eenige hullpe bekomt, maar in teegendeel oo-
ver sijn verlies bespot werd.
Sulks ook daar naa die Loogenaars sig uit alle geselschappen hun-
ner bekende Menschen moetende onthouden, als dan gemeenelik
gaan dwaalen, ende geen geselschap vinden, dan der aller-gering-
ste ende onkondigste Menschen, die nietwes te verliesen hebbende,
naar het doen der Menschen, eer sy sig met den selven gemeen
maaken, niet verneemen, maar door den rijkdom ofte uiterlijke
aansienelikheid der selven, misleid werdende, sig laaten voorstaan,
den: by welken, alsoo sy haare gewoonte van liegen niet gelijk haa-
re oude Schoenen konnen af leggen, sy ook seer haast daar in af-
terhaald, ende selfs uit ofte van die by een wooninge der geringste
Menschen verdreeven werden. Waar door de Loogenaars eindelik
als veragtelike Beesten, buiten allen verkeere ende ommegang van
Menschen, haar leeven eindigen moeten. Eeven gelijk de Loo-
genaar onser FABULE van alle bekende Menschen verlaaten zijn
de, sig bossewaarts onder de Satyrs begeefd, ende aldaar ook in
sijner Loogen-taale afterhaald zijnde, ende uit den geselschappe
der selven verdreeven werdende, onder den Beesten in den Bossen,
sijn leeven seer ellendiglik eindigen moet.
Ende alsoo alle het voormelden soo klaar is, dat ter bevestinge
des selven geene Exempelen behouven bygebragt te werden: soo
sullen wy ook meer ter verlustiginge als ter onderrigtinge des
Leesers, eenige van dien hier laaten volgen.
In den beginne der Reformatie des Christeliken Godesdienst, waren in
het gemeen de Papen ende Monnikken der Roomse Kerken van alle goede
reeden-kavelinge ende van alle kennisse der Heilige Schriften, soodanig
ontbloot, dat sy in steede van met de selven hunnen Goodesdienst, als
ook hare Hierarchie ofte Kerkelike Regeeringe, te bewijsen, en de Leere
der Reformateurs in den beginne seer onbeschaamd, ende schan-
delik wegens hare leer ende leeven, te beliegen. Gelijk sy ten desen ein-
de uitstrooiden, dat Joan Calvin in sijner Jongheid tot Noyon oover
begaande Sodomitische Sonde, door het Gerigt oopentlik gegeesseld,
ende gebrandmerkt was geworden; Ende van Martin Luther, dat hy
gemeensamelik met den Duivele plagt omme te gaan; Welke eerste
schaamteloose Loogen, door het getuigenisse des Gerigts van Noyon
weederlegd, a ende de tweede in volgender wijse bespot, is ge-
worden.
Lang na den ooverlijden van Martin Luther, is gebeurd, dat eenige
Monniken en Protestanten by een gekomen weesende, om eenige ver-
schillige Leerstukken te betwisten, een der Monniken den Protestanten
seide, seekerlik onderrigt te zijn, dat Martin Luther in sijn leven niet al-
lik na sijne Dood in eenen Duivele veranderd was: alsoo men naa-
maals sijne Dood-kist oopenende, daar in eene swarte Muis, ende
geen Lijk gevonden had. Welke Loogen aldus van eenen der
Protestanten beandwoord wierd; Gy verhaald die Historie maar ten
halven, sulks dienstig is, dat ik die nu ten einde uit voordraage;
soo als die naar die selve waarheid gebeurd is. De Muis, dus lan-
ge als gy verhaald hebt, beslooten zijnde geweest, had eenen
seer grooten honger gekreegen, sulks hy ter eerster oopeninge
des grafs, uit den kiste sprong, naar de Sacriftie lie, ende aldaar
alle de Pauselike op Francijn geschreevene drooge Bullen op at; en-
de daar naa, om sijnen dorst, welke hy van die ooverdrooge kost
gekreegen had, te lessen, sig niet ontsag, alle het Wy-waater der
Kerke op te drinken: waar door de gegeetene Bullen in dat veel-
vuldige Waater uitdijgende, des Muisen buik soodaanig deeden
spannen, dat hy genoodsaakt wierd te pissen, ende ook soodaa-
nig piste, dat het geheel Vaagevier der Kerke uitgeblust wierd.
Ende dus wierd die Ioogen-agtige Monnik seer aardiglik met de-
selve munt betaald ende bespot.
Een Spaans ridder, die den meesten tijd sijnes leevens had be-
steed, met West-ende Oost-Indien te bereisen, in Hispanien weeder
gekeerd zijnde; vermaakte sig doorgaans, met in alle geselschap-
pen veele Wonderen, die hy gesien soude hebben, te verhaalen.
Onder anderen te Valladolid in eener herberge aan den disse met ee-
nige andere Heeren sittende, soo vertelde hy in West-Indien gesien te
hebben eene Kool soo groot, dat hy met nog vier andere Ruiters
ten paarde, sig eenmaal in de schaaduwe van dien, teegen de
brandende hitte der Sonnen seer bequaamelik bergde. Waarop
een ander Heer vervolgde, in den selven Lande ook geweest, ende
aldaar gesien te hebben, dat gemaakt wierd eene koopere keetel soo
groot, dat drie honderd Mannen, yder twintig Vaademen van
den anderen zijnde, daar aan arbeiden. Ende als de Ridder daar
op vroeg waar toe soo eene groote Keetel diende, kreeg hy ten
antwoorde, om die wonderlik groote Kool te sieden, ende ging
dat al glim-laggende door. Daar naa vertrok de selve Ridder naar
Madrid, ende vroug onder weegen sijnen Reis-broeder, wat hem? van
maakelik waaren? waar op die Reis-broeder rondelik antwoorde,
dat sijne Vertellingen wel veeltijds seer lustig om aan te hooren,
maar ook somtijds soo ongeloovelik waren, dat hy daar oover af-
ter sijne rugge belaggen, ende als een groot Loogenaar bespot
wierd. De Ridder dit verstaan hebbende, bekende in sijne Ver-
tellingen soo yverig, ende ook om die op het alder-wonderliksten
te stoffeeren, soo seer geneegen te weesen; dat hy de ongeloof-
baarheid van dien, niet konde vermerken, dan als het te laat was:
weshalven hy sijnen Reis-broeder versogt, altijds in den herbergen
aan Taafele neevens hem te willen sitten, om als hy hem aldaar
soude hooren al te sterk stoffen, hem by den pande sijner Wam-
busse saftjens te trekken, tot een teeken, dat hy sig behoorde in
sijne woorden te maatigen. Dit aldus versprooken zijnde, ge-
beurde, dat sy des avonds ter herberge by een groot geselschap
quaamen, alwaar ter taafele naar ouder wijse eenige Wonderen ver-
haald zijndel deese Ridder ook verhaalde, in Japan te Meaco ge-
weest, ende aldaar niet alleen gesien te hebben des Keisers, Hof,
daar alle Bruggen, Deuren, Vensters, ende Daaken, met goude plaaten waren
oovertrokken; maar dat hy daar ook gesien had eene Kerk die duisend
en vijf en twintig treeden lang was. De Reis-broeder merkende, dat
dit te hoog liep, trok den Riddere by den pande, sulks die schielik
ende onbedagt daar by vougde; Ende ses treeden breed. Waar
op yder der toehoorderen glimlagte, ende een van dien vroug,
waar toe dog soo een gebow, dat geene Kerk, jaa geene bequaa-
me Wandel-gang konde zijn, diende. Ende die Ridder antwoorde,
het is mijne schuld niet, dat dit Gebow soo misbowd door my
voorgedraagen is, maar wel die van mijnen Reis-broedere, die my
te vroug by den pande mijner Wambusse getrokken heeft; want
ik anders sins gemeind was, die Kerke vierkant, gelijk dat wel be-
hoorde, te maaken. Waar op by alle het Geselschap niet alleen
seer gelaggen wierd, maar t'elkens, als daar naa ieman ietwes ver-
haalde, dat eene tastelijke Loogen was, soo wierd daar op ter-
stond als schimpende den Riddere gesegt: Mijn Heer, dat is wat te
lang, maak het dog vierkant, naardemaal gy u daar op soo meester-
lik verstaat. Sulks hy sig in dier vougen bespot vond, dat hy
Mendaci non creditur et jamve verum dicenti.
TYPE emblem pictura PREV embstma_add132_emblem076 MOTTO_NLAl is de Loogen nog so snel,
De Waarheid afterhaaltse wel.