$ TEXT_EXPL_XML
EEN Man, die soo veel heeft ofte weet te
werven als de nature eyscht ofte be-
hoeft, en niet veel meer, die wordt gheacht
voor een sober ghesel, als die genoegh heeft
te doen met hem selven te bedroopen; maer
mach niemandt helpen of onderstant doen
van zijn tijdtlijcke have; die leeft even wel
vrolijck, om dat hy niet en heeft te besor-
ghen veel ydele dinghen ende sinnelijckhe-
den, die de vette Voghels met wille deur
dertelheydt op haer laden. Ende wordt hier
vergeleecken by de Nachtegael, die soo wel
met zijn luttel veeren ghekleedt is, als de
Swaen met zijne dicke ende menichte van
pluymen. Het Nachtegaelken singht vro-
lijck, springhende van tacke op tacke, onbe-
nijt, onbekommert: de Swane leyt lodsigh
ende luy op het water, wordt van veelen be-
sien, ende daer door benijdt. Gaet nu ghy
Gieriegaert ende maeckt u nest groot met
moeyten ende arbeydt, dat het kleyne Vo-
ghelken niet doen en wil, om dat het weet
dat ghy meer benijdt dan bemint zijt.
XVIII
Oolijck / maer vrolijck