$ TEXT_EXPL_XML
DE woelende neerstige mensch moet
altijt doende wesen, spannende zijn
netten op alle hoecken van de Wereldt,
om Rijckdom te vergaren, die nu de
hooghste Santinne hier op aerden wil
wesen: dan zy is soo glat als een Ael, die
hem wel laet sien en grypen; maer ont-
wringht hem (door hulp van de Fortuy-
ne) uyt de Gierigaerts handen, en weet
niet waerse leyt, of waerse ghebleven is:
dan moet de hanghel van neerstigheydt
weder uyt in't water, om andere dierghe-
lijcke Visch te vanghen. Dit komt oock
voor alle Minnaers van Vrouwen te pas,
die gelijcke avontuere loopen: alle lief-
hebbers van konstighe Schilderyen, van
Bloemen, Hoornkens, Diamanten, Peer-
len, en andere Iuweelen, die met moey-
ten ghevischt en ghevanghen worden:
maer worden meer met sorghe beseten,
dan of hun hanghel noyt in sulcke peri-
culeuse wateren ghevischt hadde.