$ TEXT_EXPL_XML
NIET meer wordt Gierigheydt
met Rijckdom ghebluscht, als
Vier met Olye: de Gulsigaert, al
hoewel hy van drincken dorst krijght,
soo sietmen hem nochtans van wijn
en bier overladen gaen slingeren by
der straten: de Hoveerdighe, wordt
met eere, glorie, lof-tuyterye, soo
verre verseylt, dat het hem selfs be-
gint te walgen: de geyle Minnaer,
wordt overstolpt door koever van
schoone vrouwen en lamme leden:
maer de Geltsuchtighe, weet noch
sal weten zijns onversadigheydts
eynde, reghel noch mate; latende
zijn Erfghenamen de sorghe ende
moeyten om te verteeren.
LVII
Alit non suffocat